Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Overgangsrecht overheidspensioen Verdrag Nederland-VK

30 november 2017

Het Verdrag Nederland-Verenigd Koninkrijk wijst de heffing over pensioeninkomsten toe aan het woonland. Voor overheidspensioenen geldt een overgangsregeling als deze zijn ontvangen vóór 25 december 2010. Geldt dit overgangsrecht ook wanneer iemand recht heeft op overheidspensioen vanaf 11 februari 2010, maar dit pas ontvangt in augustus 2012?

Pensioenuitkering uit VK

X werkte in de periode van 1998 tot en met 2003 voor de overheid in het Verenigd Koninkrijk (VK). Hij bouwde over die periode overheidspensioen op. Sinds 8 juli 2013 woont X in Nederland.

In augustus 2012 ontvangt X een betaling van zijn overheidspensioen. Die betaling heeft betrekking op de periode 10 februari 2010 tot 31 juli 2012.

X vindt dat deze uitkering in het VK belast moeten worden. Volgens hem is de overgangsregeling uit het Belastingverdrag Nederland – VK (Verdrag) van toepassing. De inspecteur is het daarmee niet eens. 

Belastingverdrag NL-VK

Het Verdrag (artikel 17) wijst de belastingheffing over pensioenen van X toe aan Nederland.

Het Verdrag kent een overgangsmaatregel ten aanzien van overheidspensioenen die zijn ontvangen vóór de inwerkingtreding op 25 december 2010. Dit is geregeld in artikel 30, vierde lid. Op basis van dit overgangsrecht zijn uitkeringen van overheidspensioen die zijn ontvangen vóór de 25 december 2010 (de ingangsdatum van het huidige Verdrag) belast in het VK.

Rechtbank: overgangsrecht voor overheidspensioen niet van toepassing

X ontving de eerste betaling van het pensioen in augustus 2012, dus ná 25 december 2010. Hij voert aan dat de eerste betaling op 11 februari 2010 invorderbaar en rentedragend is geworden, wat volgens het nationale recht betekent dat deze betaling in 2010 is ontvangen. X verwijst daarbij naar artikel 3.146, eerste lid van de Wet IB 2001. Dit artikel luidt als volgt:

“Loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, (…) worden - voorzover niet anders is bepaald - geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:

a.       ontvangen;

b.       verrekend;

c.       ter beschikking gesteld;

d.       rentedragend geworden of

e.       vorderbaar en inbaar geworden.

(…)”

 

De rechtbank overweegt het volgende. Het overgangsartikel hanteert de bewoordingen ‘betalingen ontving’. Het Verdrag zelf biedt geen nadere omschrijving van de wijze waarop deze term moet worden uitgelegd.

De rechtbank overweegt dat artikel 3.146 van de Wet IB regelt op welk moment inkomsten worden geacht te zijn genoten. Het genietingsmoment is immers bepalend voor het heffingstijdstip. Dit artikel geeft echter geen nadere invulling van het begrip ‘ontvangen van betalingen’ in artikel 30 van het Verdrag. Het ontvangen van betalingen wordt in artikel 3.146 van de Wet IB 2001 genoemd als één van de momenten die heeft te gelden als genietingstijdstip. Het rentedragend of vorderbaar en inbaar worden zijn eveneens genietingsmomenten, maar vallen niet onder het begrip ‘ontvangen’.

De rechtbank is van mening dat uit artikel 3.146 van de Wet IB 2001 niet kan worden afgeleid dat aan de formulering ‘betalingen ontving’ in het Verdrag ook is voldaan op het moment dat recht bestaat op een betaling, dan wel deze betaling rentedragend is geworden. Volgens de rechtbank is de inspecteur terecht uitgegaan van een eerste betaling in augustus 2012.

Commentaar

Kennelijk was voor X de belastingheffing in het VK voordeliger dan heffing in Nederland. En werd dit doorkruist door het nieuwe Belastingverdrag tussen Nederland en het Verenigd Koninkrijk, dat in werking trad op 25 december 2015. Hij gebruikte daarvoor artikel 3.146 uit de Wet op de inkomstenbelasting wel heel creatief. Daarin gingen noch de inspecteur, noch de rechtbank mee.

In oude Verdrag NL-VK stond een aparte bepaling met betrekking tot de belastingheffing op overheidspensioen. Volgens deze bepaling mochten overheidspensioenen belast worden in de bronstaat (in deze zaak dus in het VK). In het huidige Verdrag is deze bepaling verdwenen en vallen alle pensioenen, inclusief overheidspensioen, onder dezelfde bepaling. En die wijst in deze situatie het heffingsrecht toe aan het woonland. 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Noord-Holland, 18-10-2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 november 2017