Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Overgangsregeling stamrecht niet van toepassing

22 september 2017

Belanghebbende (B) is in 2013 ontslagen. In 2014 wijst de rechter hem een extra schadeloosstelling toe wegens kennelijk onredelijk ontslag. B wil dat de stamrechtvrijstelling geldt voor deze schadeloosstelling omdat deze schadeloosstelling is ontstaan vóór 1 januari 2014. Wat oordeelt de rechter?

Stamrechtvrijstelling van toepassing op schadeloosstelling?

Werkgever A verbreekt op 1 juni 2013 het dienstverband met werknemer B. Ter zake van het ontslag kent A aan B een schadeloosstelling toe van bijna € 155.000. In mei 2013 keert A dit bedrag uit aan H BV (stamrecht BV). B verzoekt aan de inspecteur toepassing van de stamrechtvrijstelling. Bij dit verzoek meldt B dat hij tegen A ook nog een procedure start wegens kennelijk onredelijk ontslag. De inspecteur bevestigd dat de stamrechtvrijstelling van toepassing is op de schadeloosstelling van € 155.000.

Op 1 januari 2014 wijzigt de wet op de Loonbelasting. De stamrechtvrijstelling, waardoor de loonheffing over een schadeloosstelling wordt uitgesteld naar het moment waarop de periodieke uitkeringen uit het stamrecht worden ontvangen, bestaat niet langer.

In februari 2014 start B de procedure tegen A wegens kennelijk onredelijk ontslag. De rechter kent A een additionele schadevergoeding toe van ruim € 300.000. A verzoekt de inspecteur weer om toepassing van de stamrechtvrijstelling. De inspecteur weigert toepassing van deze vrijstelling. In augustus 2014 keert A de € 300.000 uit aan H BV onder inhouding van € 158.600 loonheffing.

B is het niet eens met de inhouding van deze loonheffing. Hij is van mening dat de schadeloosstelling voortkomt uit de dienstbetrekking die in 2013 is beëindigd en daardoor onder de stamrechtvrijstelling valt. Daarnaast vindt A dat hij door het niet van toepassing zijn van de stamrechtvrijstelling onredelijk is behandeld en het gelijkheids – en vertrouwensbeginsel is geschonden

Overgangsregeling stamrechtvrijstelling

Tot 1 januari 2014 werd  een aanspraak op een stamrecht ( = recht op een periodieke uitkering) onder voorwaarden vrijgesteld. Voor op 31 december 2013 bestaande stamrechten geldt een overgangsmaatregel. In zijn brief van 8 november 2013 nuanceerde de staatssecretaris van Financiën de toepassing van de overgangsregeling van de stamrechtvrijstelling. De stamrechtvrijstelling bleef ook van toepassing als aan de volgende drie voorwaarden werd voldaan:

  1. De aard en omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraak was op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar. Daarvoor moest vóór 1 januari 2014 een stamrechtovereenkomst getekend zijn.
  2. Uit de stamrechtovereenkomst moest blijken dat het stamrecht bij een in de wet aangewezen aanbieder zou worden ondergebracht.
  3. Op 31 december 2013 diende de ontslagdatum vast te staan. Het ontslag moest aangezegd zijn vóór 1 januari 2014 en binnen een korte termijn (maximaal 6 maanden) uitgevoerd worden.

 

Van belang voor toepassing van de overgangsregeling is het genietingsmoment van de schadeloosstelling. Het Hof verwijst naar de vaststelling van de rechtbank dat de schadeloosstelling niet in 2013 is genoten. Ook was de schadevergoeding op 31 december 2013 niet bepaalbaar. Het was op dat moment nog ongewis of de aanhangig te maken kantongerechtsprocedure wegens kennelijk onredelijk ontslag zou slagen en zo ja, tot welk bedrag de vordering zou worden toegewezen. Op grond hiervan concludeert het Hof dat het stamrecht niet onder de overgangsregeling valt.

Gelijkheidsbeginsel

B vindt dat de overgangsregeling in strijd is met het gelijkheidsbeginsel van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (hierna: EVRM). Hij stelt dat de overgangsregeling een discriminatoir onderscheid maakt tussen werknemers die vóór 1 januari 2014 met hun werkgevers een schikking treffen en werknemers die een civiele procedure beginnen en op of na deze datum een vergoeding ontvangen op grond van kennelijk onredelijke opzegging van de arbeidsovereenkomst. Volgens het Hof geldt dat voor elke wetswijziging. Dit kan niet als discriminatie worden aangemerkt, aldus het Hof. Anders zou de wetgever de mogelijkheid worden ontnomen om wetten in te voeren of te wijzigen.

Vertrouwensbeginsel

B had in de brief van 25 april 2013 aan de inspecteur melding gemaakt dat hij voornemens was een procedure wegens kennelijk onredelijk ontslag tegen de ex-werkgeefster te starten. B beroept zich op het vertrouwensbeginsel omdat de inspecteur niet is ingegaan op deze melding. Met het niet-reageren op die melding heeft de inspecteur- volgens B – bij hem de indruk gewekt, bewust het standpunt te hebben ingenomen dat de stamrechtvrijstelling ook van toepassing zou zijn op de na 31 december 2013 genoten schadevergoeding.

Het Hof vindt dat de inspecteur geen in rechte te beschermen vertrouwen heeft gewekt. Hij heeft immers geen toezegging gedaan of inlichting verstrekt. De melding in de brief van 25 april 2013 is volgens het Hof niet meer dan een kennisgeving aan de inspecteur dat een procedure zou worden gestart. De uitkomst van die procedure was ongewis en in de brief is niet de concrete vraag voorgelegd of een eventuele later te ontvangen schadevergoeding onder de stamrechtvrijstelling zou vallen. Gelet hierop hoefde de inspecteur niet te reageren op deze melding. Bij B kan volgens het Hof niet de gerechtvaardigde indruk zijn ontstaan van een bewuste standpuntbepaling door de inspecteur.

Commentaar

Het is zuur voor B dat hij in dit geval de stamrechtvrijstelling niet kan toepassen op een deel van zijn schadeloosstelling. B werd al in 2013 ontslagen. Maar wegens een geschil met zijn ex-werkgever werd een deel van de schadeloosstelling pas een jaar later, in 2014, vastgesteld en uitbetaald. Uiteraard benaderde het Hof het geschil juridisch. Op grond van de Wet LB voldeed B niet aan de voorwaarden voor toepassing van het overgangsrecht voor de stamrechtvrijstelling. De situatie voldeed ook niet aan de toezegging van de staatssecretaris met betrekking tot het overgangsrecht. Een beroep op het gelijkheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel boden B geen soelaas. Er resteert voor B niets anders dan voor de schadeloosstelling die A in 2014 uitkeerde middeling te vragen. Wellicht wordt daardoor de heffing nog enigszins gematigd.  

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron:Gerechtshof Den Bosch, 14 september 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 21 september  2017.