Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Overgangsregeling stamrecht niet van toepassing

14 maart 2019

B is in 2013 ontslagen. In 2014 veroordeelt de rechter de ex-werkgever tot het betalen van een schadeloosstelling aan B. Het Hof oordeelt dat op deze schadeloosstelling de overgangsregeling voor de stamrechtvrijstelling niet van toepassing is. De Hoge Raad is het eens met het Hof.

Schadeloosstelling

In het bericht van 22 september 2017 bespraken wij de uitspraak van het Hof. De casus komt in het kort op het volgende neer. Op 1 juni 2013 wordt het dienstverband van B met zijn werkgever A verbroken. Ter zake van dit ontslag kent A aan B een schadeloosstelling toe van bijna € 155.000. In mei 2013 keert A dit bedrag uit aan H BV (stamrecht BV).

B start in februari 2014 een procedure jegens A wegens kennelijk onredelijk ontslag. De rechter kent B een additionele schadevergoeding toe van ruim € 300.000. B verzoekt de inspecteur weer om toepassing van de stamrechtvrijstelling. Die weigert dit. In augustus 2014 keert A de € 300.000 onder inhouding van € 158.600 loonheffing uit aan H BV. A verzet zich tegen de inhouding van deze loonheffing.

A is van mening dat de schadeloosstelling voortkomt uit de dienstbetrekking die in 2013 is beëindigd en daardoor onder de stamrechtvrijstelling valt. Daarnaast vindt A dat hij door het niet van toepassing zijn van de stamrechtvrijstelling onredelijk is behandeld en het gelijkheid – en vertrouwensbeginsel is geschonden

Geen overgangsrecht

Met ingang van 2014 is de stamrechtvrijstelling in de loonbelasting afgeschaft. Bij de wetswijziging is een overgangsregeling getroffen voor op 31-12-2013 bestaande stamrechten. Deze overgangsregeling is volgens de staatssecretaris van Financiën ook van toepassing als aan de volgende drie voorwaarden wordt voldaan:

  1. De aard en omvang van de vrijgestelde stamrechtaanspraak is op 31 december 2013 voldoende bepaald of bepaalbaar. Daarvoor moet vóór 1 januari 2014 een stamrechtovereenkomst getekend zijn.
  2. Uit de stamrechtovereenkomst moet blijken dat het stamrecht bij een in de wet aangewezen aanbieder wordt ondergebracht.
  3. Op 31 december 2013 dient de ontslagdatum vast te staan. Het ontslag moet aangezegd zijn vóór 1 januari 2014 en binnen een korte termijn (maximaal 6 maanden) uitgevoerd worden.

 

Advocaat Generaal (A-G) Niessen is het helemaal eens met de uitspraak van het Hof. Volgens Niessen is de additionele schadevergoeding door X pas in 2014 genoten. Op dat moment stond de stamrechtvrijstelling niet meer in de Wet op de loonbelasting. Ook de overgangsregeling was niet van toepassing omdat de aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon op 31 december 2013 niet voldoende bepaald of bepaalbaar was.

Er is volgens Niessen geen sprake is van schending van het gelijkheidsbeginsel omdat een wetswijzing naar haar aard meebrengt dat een onderscheid wordt gemaakt tussen gevallen die zich hebben voorgedaan vóór dan wel ná het tijdstip van de toepassing van de nieuwe regeling.

Het Hof oordeelde terecht dat het vertrouwensbeginsel niet geschonden is omdat de mededeling van B dat hij een civiele procedure wegens kennelijk onredelijk opzegging tegen A zou opstarten niet te beschouwen is als het uitdrukkelijk en gemotiveerd aan de orde stellen van de vraag of de te ontvangen schadevergoeding onder de stamrechtvrijstelling zou vallen.

De Hoge Raad schaart zich achter de opvattingen van het Hof en A-G Niessen en verklaart het beroep in cassatie van B ongegrond. 

Commentaar

Het is zuur voor B dat hij in dit geval de stamrechtvrijstelling niet kon toepassen op een deel van zijn schadeloosstelling. Want hij werd al in 2013 ontslagen. Toen gold de stamrechtvrijstelling nog. Maar de wetgever moet ergens de grens trekken. In dit geval lag die op 1 januari 2014. Vanaf die tijd gold de stamrechtvrijstelling niet meer. Voor bestaande stamrechten werd overgangsrecht getroffen. En de staatssecretaris rekte dat overgangsrecht nog een beetje op. B had echter op basis van wettekst en tekst van de goedkeuring van de staatssecretaris geen kans. Want de schadeloosstelling werd door de kantonrechter pas in 2014 vastgesteld en pas op dat moment door X genoten en bepaalbaar.

Wellicht kon X de heffing nog enigszins matigen door het jaar 2014 mee te nemen in de periode van middeling. Zeker als het inkomen voor of na 2014 laag was biedt dat nog perspectief.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 8 maart 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 15 maart 2019.