Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Overgangsregeling vroegpensioen geen verboden leeftijdsonderscheid

4 mei 2017

Sociale partners troffen een overgangsregeling voor vroegpensioen die alleen gold voor oudere werknemers. Volgens het College voor de Rechten van de Mens is hier geen sprake van een verboden onderscheid naar leeftijd.

Overgangsregeling vroegpensioen.

Het pensioenfonds PWRI (hierna het Pensioenfonds) voert een pensioenregeling uit met tot 1 januari 2006 opbouw van vroegpensioen. In het kader van de Wet Vut, prepensioen en levensloop schaft het Pensioenfonds de vroegpensioenregeling af. Voor werknemers die op 31 december 2000 deelnemer zijn aan de pensioenregeling geldt een overgangsregeling. Voor deze deelnemers wordt in een periode van 15 jaar extra pensioen ingekocht conform het Sociaal Akkoord 2004. Voor zover het extra pensioen niet is gefinancierd heeft de deelnemer slechts voorwaardelijke rechten.

In 2012 besluiten de sociale partners de overgangsregeling aan te passen. Vanaf die tijd geldt de overgangsregeling nog uitsluitend voor deelnemers die geboren zijn vóór 1 januari 1950 en die op 31 december 2000 deelnemer waren.  De heer X, die geboren is op 23 oktober 1950, stelt dat het Pensioenfonds een verboden onderscheid naar leeftijd maakt.

College voor de Rechten van de Mens

Het College stelt eerst vast dat het Pensioenfonds aanspreekbaar is op de individuele pensioenaanspraken en vermogensrechten van de heer X. Want het Pensioenfonds is op grond van haar statuten en reglement gebonden aan het wettelijke toezicht en het pensioenrecht.

Het College stelt daarna vast, dat het Pensioenfonds leeftijdsonderscheid maakt door het niet meer van toepassing verklaren van de overgangsregeling op werknemers die zijn geboren na 31 december 1949, zonder daarvoor enige compensatie te bieden. Immers de werknemers die geboren zijn na 31 december 1949 en de werknemers die daarvoor zijn geboren horen toe tot een zelfde groep.

Volgens het College is er in dit geval sprake van een geoorloofd onderscheid. Het besluit om de overgangsregeling af te schaffen is genomen na collectieve onderhandelingen van de sociale partners en maakte deel uit van een groter pakket aan maatregelen. “Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) blijkt dat sociale partners het verbod van leeftijdsonderscheid in acht moeten nemen, maar daarbij is ook meerdere keren overwogen dat het recht op collectieve onderhandelingen een grondrecht is en dat sociale partners een ruime beoordelingsmarge hebben.”

Uit de brief van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten van 26 november 2012 over het principeakkoord blijkt dat het doel van het onderscheid is: het creëren van een evenwichtig pakket aan arbeidsvoorwaarden tegen acceptabele kosten voor alle sociale partners en hun achterban. Het College oordeelt dat uit deze brief blijkt dat het afschaffen van het overgangsrecht voor jongere werknemers een legitiem doel heeft. Het College vindt ook dat de maatregel passend of noodzakelijk is om het doel te bereiken. Het Pensioenfonds is erin geslaagd aan te tonen waarom sociale partners het onwenselijk vonden om de regeling voor een beperkt aantal werknemers, zoals de heer X, te handhaven, ten koste van het inkomen van alle andere werknemers. En volgens het College mag het Pensioenfonds aannemen dat sociale partners alle belangen van de verschillende werknemers hebben meegewogen bij de totstandkoming van het nieuwe arbeidsvoorwaardenpakket.

Op grond hiervan beslist het College dat er in dit geval geen ongeoorloofd onderscheid op grond van leeftijd is gemaakt. 

Commentaar

Deze casus laat zien dat (leeftijds)discriminatie in beginsel verboden is, tenzij er een objectieve rechtvaardigingsgrond is. Voor de beoordeling of er sprake is van een objectieve rechtvaardigingsgrond moet er sprake zijn van een legitiem doel en passende en noodzakelijke middelen om dit doel te bereiken. Daarbij moeten het doel en middel in verhouding staan tot elkaar.

In de afgelopen jaren zijn veel pensioenregelingen aangepast aan de fiscale wetgeving. Vaak treft de wetgever bij versobering van het fiscale kader een overgangsregeling voor bestaande gevallen. Een dergelijke overgangsregeling kan leiden tot een verboden onderscheid. Als de sociale partners bij het treffen van een dergelijke maatregel betrokken zijn, is volgens het College voor de Rechten van de Mens kennelijk eerder sprake van een legitiem doel en passende en noodzakelijke middelen. Uit de jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) blijkt dat sociale partners het verbod van leeftijdsonderscheid in acht moeten nemen, maar daarbij is ook meerdere keren overwogen dat het recht op collectieve onderhandelingen een grondrecht is en dat sociale partners een ruime beoordelingsmarge hebben. 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: College voor de Rechten van de Mens, 19 januari 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 2 mei  2017.