Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Pacta sunt servanda. Deelnemers hebben recht op in alle materiële opzichten vergelijkbare regeling

Pacta sunt servanda. Deelnemers hebben recht op in alle materiële opzichten vergelijkbare regeling

30 maart 2021

Werkgever neemt bedrijfsonderdeel over en komt met overgenomen werknemers overeen dat zij recht hebben op deelname aan een pensioenregeling die in alle materiële opzichten vergelijkbaar is met de voorwaarden van het pensioenreglement van het pensioenfonds waar zij deelnemers waren. Nieuwe werkgever moet – ook na waardeoverdracht - toeslagen pensioenfonds volledig volgen.

Overname met handhaving pensioenregeling

X NV verkoopt een bedrijfsonderdeel aan Y BV. De arbeidsovereenkomsten van acht medewerkers van X NV die werkzaam zijn ten behoeve van het verkochte bedrijfsonderdeel gaan van rechtswege over naar Y BV. Y BV komt met deze medewerkers overeen dat zij recht hebben op deelname aan een pensioenregeling bij Y BV die in alle materiële opzichten vergelijkbaar is met de voorwaarden van het pensioenreglement van het pensioenfonds van X NV, zoals die golden op de dag van het sluiten van de overname overeenkomst tussen X NV en Y BV. Y BV sluit hiervoor een uitvoeringsovereenkomst met een pensioenverzekeraar.

Het pensioenreglement bij de verzekeraar omvat een eindloonregeling met een pensioenrichtdatum van 60 jaar. Ter zake van toeslagen op ingegane en premievrije pensioenen bepaalt het pensioenreglement:

1. Per 1 april van elk jaar zullen alle ingegane (tijdelijke) pensioenen en premievrije aanspraken op pensioen van gewezen deelnemers worden verhoogd mede door aanwending van de overrente die op grond van de door de werkgever en verzekeraar overeengekomen voorwaarden ter beschikking komt, ter zake van de gesloten verzekeringen. De pensioenen worden voor het eerst op 1 april 2013 verhoogd.

2. Als maatstaf voor de jaarlijkse aanpassing van de pensioenen als onder 1 genoemd, geldt de stijging van de consumentenprijsindex alle huishoudens, zoals dat wordt berekend door het Centraal Bureau voor de Statistieken per ultimo oktober van het voorgaande jaar, met een maximum van het uit de overrenteregeling beschikbaar komende percentage verhoogd met 2%.

Waardeoverdracht en wijziging toeslagverlening

In september 2006 vindt er voor de betreffende deelnemers waardeoverdracht plaats van het pensioenfonds van X NV naar de pensioenverzekeraar waarbij Y BV de regeling onderbracht. De pensioenverzekeraar schrijft daarbij aan de deelnemers; “Bij X pensioenfonds worden op basis van een besluit van het College van Beheer ingegane pensioenen en premievrije pensioenaanspraken aangepast in verband met een eventuele stijging van de kosten van levensonderhoud.

Bij ons worden ingegane pensioenen en premievrije pensioenen aangepast in verband met eventuele stijging van de kosten van levensonderhoud”.

Per 1 december 2012 wijzigt Y BV de toeslagregeling. De verzekeraar schrijft naar aanleiding daarvan aan twee inmiddels gewezen deelnemers; “Tot 1 december 2012 probeerde uw ex-werkgever ieder jaar uw pensioen te verhogen. Uw ex-werkgever betaalde de verhogingen van uw pensioen uit geld dat hij daarvoor gereserveerd had. U had niet automatisch recht op jaarlijkse verhoging. Vanaf 1 december 2012 wordt uw pensioen niet meer jaarlijks verhoogd. U hebt dan geen recht meer op de oude regeling.”

De twee gewezen deelnemers gaan hier niet mee akkoord en stappen naar de kantonrechter. De kantonrechter wijst de vordering af omdat in het pensioenreglement geen onvoorwaardelijk recht op toeslagverlening bestaat.

Hof: geen onvoorwaardelijk recht, maar wel recht op dezelfde toeslag als pensioenfonds verleent

In hoger beroep bij het Hof Den Bosch voeren de twee gewezen deelnemers in eerste instantie aan dat de kantonrechter ten onrechte bepaalde dat geen sprake is van een onvoorwaardelijke toeslag. Daarbij doen zij een beroep op de pensioenovereenkomst waarin staat dat de pensioenregeling materieel in alle opzichten vergelijkbaar is met de pensioenregeling die het pensioenfonds van X NV uitvoert.

Het hof stelt in een tussenarrest vast dat het pensioenreglement van het pensioenfonds een voorwaardelijk recht op toeslagen na beëindiging van de actieve deelname kende. Daarom mochten de twee gewezen deelnemers aan de pensioenovereenkomst met hun nieuwe werkgever volgens het hof redelijkerwijs niet de betekenis toekennen dat Y BV een pensioenregeling in het leven moest roepen die uitging van een onvoorwaardelijke toeslagverlening na actief deelnemerschap. Zij konden er immers niet gerechtvaardigd van uitgaan dat Y BV beoogden om voor hen op het punt van de aanspraak op toeslagverlening op hun pensioen een gunstiger regeling te treffen dan de door het pensioenfonds uitgevoerde regeling. Het hof concludeert dat de pensioenovereenkomst Y BV verplichtte om een nieuwe pensioenregeling met een voorwaardelijk recht op toeslagen na beëindiging van de actieve deelname in het leven te roepen.

Het hof stelt vast dat Y BV tot en met 2012 streefde naar een periodieke aanpassing van de pensioenen zoals verwoord in het pensioenreglement. Volgens Y BV functioneerde deze regeling tot de extreme daling van de marktrente in 2013, als gevolg waarvan sinds 2014 geen overrente meer is behaald en de pensioenen niet meer op grond van dat artikel konden worden aangepast. De regeling is dan ook met ingang van 2013 beëindigd.

Het hof oordeelt dat vanaf 2013 aansluiting gezocht moet worden bij het beleid van het pensioenfonds met betrekking tot de periodieke aanpassing van de ingegane en premievrije pensioenen. Y BV is volgens het hof immers overeengekomen dat zij recht hebben op deelname aan een pensioenregeling die in alle materiële aspecten vergelijkbaar is met de voorwaarden van het pensioenreglement van het pensioenfonds. Het pensioenfonds verhoogde in 2018, 2019 en 2020 de pensioenen met een gering percentage. Nu Y BV met de overgenomen werknemers overeen kwam dat zij recht hebben op deelname aan een in alle materiële opzichten vergelijkbare pensioenregeling, is Y BV ook gehouden om toeslagen te verlenen van de bij haar opgebouwde pensioenaanspraken. Dat de pensioenaanspraken als gevolg van de waardeoverdracht zijn verhoogd, de salarisstijgingen bij Y BV hebben doorgewerkt in de pensioenopbouw over het verleden en extra aanspraken volgens Y BV zijn verstrekt als toeslag op de overgedragen pensioenen, maakt dit oordeel van het hof niet anders.

Het hof wijst de vordering tot veroordeling van Y BV van een in redelijkheid vast te stellen toeslagverlening toe in die zin dat Y BV vanaf 1 januari 2013 zal worden veroordeeld tot betaling van een toeslag op de pensioenen op basis van door het pensioenfonds van X NV vanaf die datum doorgevoerde en nog door te voeren indexatiecijfers van de ingegane pensioenen.

Commentaar

Over het tussenvonnis van het hof in deze zaak schreven wij al in ons nieuwsbericht van 20 januari 2020. Daarin bepaalde het hof dat sprake was van een voorwaardelijke toeslagverlening en dat Y BV een inspanningsverplichting had om de toeslagverlening in financiële zin mogelijk te maken. Wij vroegen ons toen al af hoever een dergelijke inspanningsverplichting gaat en gaven aan met spanning uit te kijken naar het uiteindelijke oordeel van het hof.

In dit eindvonnis is geen sprake meer van een inspanningsverplichting, maar van een contractuele verplichting van Y BV om de toeslagverlening van het fonds één op één te volgen. Er is weliswaar geen sprake van een onvoorwaardelijke toeslag, maar wel van een aanvullende arbeidsovereenkomst op grond waarvan de overgenomen werknemers onvoorwaardelijk recht hadden op een in alle opzichten materieel vergelijkbare regeling en dus op dezelfde voorwaardelijke toeslag als de deelnemers in het pensioenfonds. Dit is naar ons oordeel de enige conclusie waartoe het hof kon komen. Inspanning op zich is niet voldoende, pacta sunt servanda.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hof Den Bosch 19 januari 2021, ECLI:NL:GHSHE:2021:81

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 maart 2021.