Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Pensioen belast wanneer het vorderbaar en inbaar is.

9 februari 2017

Vanwege een juridisch geschil schort het ABP de uitkering van een prepensioen op. Hierdoor wordt het prepensioen in één keer belast als het ABP de opgeschorte pensioenuitkeringen uitkeert na beëindiging van het geschil.

Geschil om ontslag

De werkgever van de heer B beëindigt zijn arbeidsovereenkomst voortijdig op 6 juli 2006. In de vaststellingsovereenkomst is opgenomen dat B gebruik maakt van zijn FPU-recht. Dit recht is een soort prepensioen voor ambtenaren. Werknemers kunnen hier alleen een beroep op doen als hun dienstverband is beëindigd.

B vecht zijn ontslag en de inhoud van de vaststellingsovereenkomst aan. Hij start in 2006 een civiele procedure. In een 2011 doet de rechtbank uitspraak en verwerpt de bezwaren van B. Tijdens de civiele procedure schort het ABP de uitkering van het prepensioen op. Na de uitspraak van de rechtbank betaalt het ABP in 2011 de pensioentermijnen over de periode 2007 tot en met 2010 in een keer uit. De inspecteur belast de gehele uitkering in 2011. B maakt hier bezwaar tegen. Hij vindt dat hij het prepensioen genoot in de jaren 2007 tot en met 2010, naar gelang de uitkering betrekking heeft op die jaren.

Rechtbank

De rechtbank haalt de wettekst die betrekking heeft op het genietingsmoment van inkomen aan: “ …inkomensvoorzieningen worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden.”

Volgens de rechter waren de rechten op prepensioen in de jaren 2007 tot en met 2010 niet vorderbaar en inbaar. De uitkering van het recht was afhankelijk van de voorwaarde dat de dienstbetrekking was beëindigd. Gedurende de civiele procedure bestond hier nog geen duidelijkheid over. Daarom was het prepensioen gedurende de civiele procedure niet vorderbaar en inbaar door B.

Het hof verwerpt het beroep van B op dezelfde gronden als de rechtbank. Daarbij wijst het hof nog op de uitspraak die het deed in een geschil van de echtgenote van B over de overheveling van de heffingskorting. In dat geschil stelde het hof en daarna ook de Hoge Raad al vast dat het prepensioen in 2007 niet vorderbaar en inbaar was door B. B voert geen feiten of omstandigheden aan die zouden leiden tot een ander oordeel. Het recht hebben op een uitkering wil volgens het hof nog niet zeggen dat die uitkering ook genoten is. Volgens de wet moet het recht ook inbaar en vorderbaar zijn. Tijdens de civiele procedure kon B niet van het ABP vorderen dat zij het prepensioen zou uitbetalen. Daarom verwerpt het hof het beroep van B.

Commentaar

Deze uitspraak is niet verrassend.

Maar de tol die B betaalt voor de civiele procedure tegen zijn ontslag is wel hoog. Ten eerste verwerpt de rechter zijn beroep tegen zijn ontslag. Daarnaast moet hij door het progressieve ib-tarief extra inkomstenbelasting betalen nu het ABP de termijnen van zijn prepensioen in één keer uitkeert en deze ook in een keer worden belast. B kan nog wel gebruik maken van de middeling maar deze regeling werkt slechts twee jaar terug. In feite heeft B pech dat de civiele procedure zolang duurde. Overigens had B het wel al eerder kunnen weten nu zowel het Gerechtshof als de Hoge Raad al eerder een min of meer gelijk beroep van zijn echtgenote hadden verworpen.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch 27 oktober 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 februari 2017.