Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Pensioenfonds mag pensioenrechten korten

29 mei 2019

Stichting Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT) kort in 2013 en 2014 het pensioen van werkenden en gepensioneerden. Een groep gepensioneerden is het niet eens met de korting omdat PMT volgens hen te weinig premies in rekening bracht voor de opbouw van pensioen. Het Hof stelt PMT in het gelijk.

Korten pensioenrechten

PMT raakte in 2009 in onderdekking. Zij diende in 2009 een kortetermijnherstelplan in dat door DNB wordt geaccordeerd. Het kortetermijnherstelplan leidt niet tot het gewenste resultaat. Eind 2012 bedroeg de dekkingsgraad 92,4%. PMT besloot op grond van artikel 134 Pensioenwet tot het verminderen van pensioenaanspraken en pensioenrechten (korten). Na instemming door de deelnemersraad van PMT en DNB kortte PMT per 1 april 2013 de pensioenaanspraken en de pensioenrechten met 6,3%.

In januari 2014 constateerde PMT dat de vereiste dekkingsgraad op 103,6% uitkwam, terwijl deze op 104,3% zou moeten liggen. Daarom besloot PMT in 2014 een korting van 0,4% op alle pensioenaanspraken toe te passen. Ook met deze korting stemde DNB in.

De gepensioneerden vinden de kortingen op hun pensioenen in 2013 en 2014 onrechtmatig. Volgens hen heeft PMT bij het besluit om te korten ten onrechte geen onderscheid gemaakt tussen de actieve deelnemers (werkenden), de gewezen deelnemers en de gepensioneerden. Doordat PMT vanaf 2009 gebruik maakte van de – ter voorkoming van grote premieschommelingen – wettelijk toegestane mogelijkheid om een ‘gedempte’ premie te heffen, is de premie die de actieve deelnemers hebben betaald voor hun pensioenopbouw volgens de gepensioneerden niet kostendekkend en dus te laag geweest. Het hierdoor geleden verlies ging ten koste van het pensioenvermogen dat was opgebouwd door en bestemd voor de gepensioneerden. Door in 2013 en 2014 de actieve werknemers, de gewezen deelnemers en de gepensioneerden met een gelijk percentage te korten, zonder rekening te houden met het feit dat de actieve werknemers te weinig pensioenpremie betaalden, is er volgens de gepensioneerden sprake van een onterechte vermogensverschuiving van de gepensioneerden naar de werkenden en van een aantasting van hun eigendomsrecht. Hierdoor hebben gepensioneerden naar hun mening onevenredig veel bijgedragen aan het herstel van PMT.

Korten pensioenrechten terecht

Het Hof constateert eerst dat het kortetermijnherstelplan van PMT in maart 2009 noodzakelijk was. De gepensioneerden hebben, volgens het Hof, onvoldoende betwist dat PMT als gevolg van het dekkingstekort in 2012 genoodzaakt was om de pensioenen te korten in 2013 en 2014. Wat betreft de gepensioneerden geldt dat de premie die zij gedurende hun werkzame leven voor de opbouw van hun pensioen hebben betaald, niet berekend is geweest op de snelle verhoging van de levensverwachting. Op grond hiervan stelt het Hof vast dat de door de gepensioneerden zelf tijdens hun arbeidsverleden ingelegde premies niet altijd voldoende zijn geweest voor de (ongekorte) pensioenuitkeringen.

Volgens het Hof merkt PMT terecht op dat de dalende rekenrente voor de voorziening verzekeringsverplichting (VPV) niet alleen invloed had op de te reserveren VPV voor de toekomstige pensioenuitkeringen van werkende deelnemers, maar ook op die van de reeds gepensioneerden. Daar komt bij dat de gepensioneerden niet aannemelijk konden maken dat er verlies is geleden op de inkoop van nieuwe pensioenaanspraken als gevolg van het hanteren van een gedempte premie.

Volgens het Hof hebben zowel de lagere rekenrente als de snelle toename van de levensverwachting niet alleen gevolgen gehad voor de hoogte van de reserveringen ten behoeve van de groep werkenden en slapers, maar ook ten behoeve van de groep gepensioneerden. Van een onevenredige bijdrage door de groep gepensioneerden aan het herstel van PMT in de periode 2009-2013 is naar het oordeel van het Hof geen sprake geweest.

Volgens het Hof is er geen reden om gepensioneerden en slapers anders te behandelen dan actieven.

Een pensioenfonds kent vele vormen van solidariteit. Volgens het Hof gaat het niet om één daarvan uit te vergroten en daaraan de conclusie te verbinden dat er geen sprake is van evenredigheid. Er is immers ook sprake van solidariteit vanuit de actieve en (gewezen) deelnemers richting gepensioneerden.

Het Hof is van oordeel dat niet aannemelijk is geworden dat PMT bij haar besluiten in 2013 en 2014 om de pensioenaanspraken en pensioenrechten van de werkenden, de slapers en de gepensioneerden met een gelijk percentage te korten, de belangen van alle betrokkenen op een onevenwichtige wijze heeft afgewogen.

Commentaar

Door de snelle verhoging van de levensverwachting en de sterke daling van de marktrente raakten veel pensioenfondsen, waaronder PMT, in onderdekking. Bij PMT leidde dit in 2013-2014 tot het korten van pensioen voor werkenden, slapers en gepensioneerden met bijna 7%. De gepensioneerden vonden dat de korting onevenredig zwaar voor hen was. Zij vonden dat de rekening hiervan meer bij werkenden gelegd had moeten worden. In de vorm van een hogere premie.

Een hogere premie leidt tot toename van het vermogen van het pensioenfonds. Maar in dat geval ontstaat er een solidariteitsheffing voor werkenden ten behoeve van gepensioneerden. Immers door de stijging van de levensverwachting en daling marktrente is hun VPV ook niet voldoende. PMT en DNB vonden dat met de korting op alle pensioenen sprake was van een evenredige belangenafweging.

Dit solidariteitsvraagstuk is de basis van de discussie over een nieuw pensioenstelsel. Wie moet de kosten van vergrijzing en dalende marktrente betalen? Een hogere premie leidt tot onevenredige kosten voor de werkenden en is maatschappelijk niet verantwoord. Als je dit doet door het pensioen aan te kopen tegen een hogere rente dan de marktrente bestaat de kans dat de rekening hiervoor neergelegd wordt bij jongere deelnemers. De meest geaccepteerde vorm is dan ook om het pensioen van iedereen (werkenden, slapers en gepensioneerden) te laten afhangen van de omstandigheden die zich voordoen. Daarmee worden de pensioenen minder vast. Door garanties los te laten bestaat een kans op een hoger pensioen voor iedereen. Sociale partners en de overheid zijn het hier in principe wel over eens. Maar door steggelen over enerzijds de methode waarop dat moet gebeuren en anderzijds over aanverwante zaken zoals bijvoorbeeld de AOW-leeftijdis het na jaren praten en onderhandelen nog steeds niet gelukt om een nieuw pensioenstelsel in te voeren. Jammer!

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 16 april 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 mei 2019.