Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Pensioenfonds niet vrijgesteld voor Vpb

26 september 2016

Een ondernemingspensioenfonds verricht zoveel nevenactiviteiten dat de Hoge Raad de vrijstelling voor de vennootschapsbelasting niet toekent.

Pensioenfonds krijgt geen vrijstelling vennootschapsbelasting

Ondernemingspensioenfonds A (hierna: de stichting) heeft tot doel de uitvoering van pensioen van medewerkers van vennootschap A en gelieerde bedrijven (hierna A). De pensioenregeling betreft een beschikbare premieregeling voor werknemers van A. De stichting stelde A aan als vermogensbeheerder.

Tussen de stichting en vermogensbeheerder A is een zogenaamde profit share overeenkomst gesloten. Einde 2010 bedroegen de pensioenverplichtingen van de stichting € 1.202.033 en de overige passiva tezamen € 105.579.432. Eind 2011 luidden deze bedragen € 1.945.909 en € 36.376.654. De stichting kocht en verkocht in 2011 ruim 1 miljard euro aandelen en ruim 2 miljard euro derivaten. De belangrijkste bron van inkomsten van de stichting kwamen uit de koop en verkoop van aandelen in Belgische fondsen. In 2010 en 2011 werd daaruit tot bedragen van € 19.582.000 en € 32.269.000 aan dividenden ontvangen en werd € 4.896.000 en € 8.067.000 aan Belgische dividendbelasting terug ontvangen.

De inspecteur verwerpt het beroep van de stichting op de vrijstelling van de vennootschapsbelasting.

Hoge Raad

Evenals het gerechtshof verwerpt de Hoge Raad de stelling van de stichting dat zij in aanmerking komt voor de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor pensioenlichamen. Volgens de Wet op de vennootschapsbelasting (Wet Vpb) zijn vrijgesteld van de belasting: “lichamen die zich uitsluitend of nagenoeg uitsluitend ten doel stellen de verzorging van werknemers en gewezen werknemers bij invaliditeit en ouderdom en de verzorging van de nabestaanden van deze werknemers, door middel van pensioen krachtens een pensioenregeling.” In het Uitvoeringsbesluit van de Wet Vpb staat dat de werkzaamheden van het lichaam in overeenstemming moeten zijn met de verzorgingsdoelstelling van dat lichaam. En dat de winst, behoudens een marge van maximaal vijf procent per jaar van het gestorte kapitaal of inleggelden, uitsluitend kan worden aangewend ten bate van de verzekerden, een ander vrijgesteld pensioenlichaam of een algemeen maatschappelijk belang.

Volgens de Hoge Raad verliest een pensioenfonds haar vrijstelling niet wanneer zij gebruik maakt van derivaten en van effecten Dan moet dit gebruik wel plaatsvinden in het kader van de belegging van de ingelegde pensioengelden. Daarvan is bij de stichting geen sprake.

De Hoge Raad concludeert dit op basis van de feitelijke omstandigheden die door het hof als volgt zijn vastgesteld:

  • 1. de stichting neemt actief deel aan het economische (beurs)verkeer,
  • 2. zij creëert met behulp van haar wijze van vermogensbeheer – te weten het onderhandelen met marktpartijen - een meer dan ‘autonoom’ rendement,
  • 3. zij maakt ter zake van het beheer van haar vermogen relatief (zeer) hoge kosten,
  • 4. de voor haar aan het vermogensbeheer gerelateerde risico’s en daarmee gegenereerde revenuen gaan die van een normale, min of meer ‘passieve’ belegger aanzienlijk te boven,
  • 5. de door de deelnemers ingelegde premiegelden worden zelf niet gebruikt voor de door de stichting aangegane transacties,
  • 6. de stichting beschikte in de betreffende jaren tot aanzienlijke bedragen over andere middelen dan premiegelden en wendde deze aan ter belegging aanwendde, en
  • 7. de dividendbelasting die de stichting als vrijgesteld lichaam heeft geïncasseerd is een veelvoud van haar uiteindelijke nettoresultaat.

 

Commentaar

De uitspraak vinden wij niet verrassend. De stichting verricht met behulp van haar vermogensbeheerder, vennootschap A, veel meer dan het vermogensbeheer van haar pensioengelden. Voor hof en Hoge Raad is dat een reden om de vrijstelling van de vennootschapsbelasting voor een pensioenlichaam niet toe te passen. Door het actief en in belangrijke mate met andere middelen dan de pensioengelden aan en verkopen van effecten en derivaten voldoet de stichting niet aan haar pensioendoel. Er is hier geen sprake meer van een lichaam dat uitsluitend of nagenoeg uitsluitend een pensioenregeling uitvoert.

Auteurs: Paul Lavrijssen, adviseurs Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 23 september 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 26 september 2016