Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Pensioengerechtigde leeftijd is de AOW-gerechtigde leeftijd

Pensioengerechtigde leeftijd is de AOW-gerechtigde leeftijd

1 juni 2021

Begrip “pensioengerechtigde leeftijd” moet worden uitgelegd aan de hand van de cao-norm. Volgens de rechtbank Den Haag wordt volgens normaal spraakgebruik met dit begrip de AOW-leeftijd bedoeld.

AOW-leeftijd of pensioenrichtleeftijd?

X is geboren in 1954 en sinds 2014 in dienst bij Y BV. In zijn arbeidsovereenkomst is de zogenoemde Arbeidsvoorwaardenregeling geïncorporeerd. In deze regeling staat onder meer dat de arbeidsovereenkomst eindigt op de eerste van de maand waarin de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt. Op het Uniform Pensioenoverzicht 2020 dat X ontvangt van het pensioenfonds waarbij Y BV is aangesloten staat voor hem als pensioenrichtleeftijd “68 jaar” en als pensioendatum “1 september 2022”.

In een brief van 2 september 2020 zegt Y BV het dienstverband met X op per 2 december 2020.

X laat via zijn gemachtigde in november 2020 aan Y BV weten dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. Hij vraagt Y BV de opzegging in te trekken en hem in de gelegenheid te stellen om zijn werkzaamheden voort te zetten. Y BV gaat niet in op dit verzoek en X stapt naar de kantonrechter. Hij stelt dat op grond van artikel 7:669, lid 4 BW de werkgever de arbeidsovereenkomst kan opzeggen in verband met of na het bereiken van de tussen partijen overeengekomen leeftijd waarop de arbeidsovereenkomst eindigt of, indien geen andere leeftijd is overeengekomen, de AOW-gerechtigde leeftijd. Volgens X is er in zijn geval een andere leeftijd overeengekomen namelijk de pensioengerechtigde leeftijd zoals die geldt bij het pensioenfonds en blijkt uit de aan hem verstrekte pensioenoverzichten. Hij vraagt de kantonrechter hem zowel een transitievergoeding als een billijke vergoeding toe te kennen.

Kantonrechter beoordeelt aan de hand van cao-norm

De kantonrechter constateert dat de vraag die partijen verdeeld houdt is wanneer X geacht kan worden de pensioengerechtigde leeftijd te hebben bereikt; op 2 december 2020, dus bij het bereiken van de AOW-gerechtigde leeftijd van 66 jaar en vier maanden, of op 1 september 2022 zoals als pensioendatum staat vermeld op het pensioenoverzicht.

De kantonrechter is van oordeel dat het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” zoals opgenomen in de arbeidsvoorwaardenregeling moet worden uitgelegd aan de hand van de zogenoemde cao-norm. Deze norm moet volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad worden toegepast op regelingen die naar hun aard bestemd zijn om de rechtspositie van derden te beïnvloeden, zonder dat die derden invloed hebben (gehad) op de inhoud of formulering van die regeling, terwijl de onderliggende partijbedoeling voor die derden niet kenbaar is. Daarvan is volgend de kantonrechter sprake in dit geval. De cao-norm houdt in dat aan een bepaling van een cao een uitleg naar objectieve maatstaven moet worden gegeven. Daarbij zijn in beginsel de bewoordingen van die bepaling, gelezen in het licht van de gehelen tekst van de cao van doorslaggevende betekenis. Het komt daarbij niet aan op de bedoeling van de cao-partijen, voor zover deze niet uit de in de cao opgenomen bepalingen kenbaar zijn, maar op de betekenis die naar objectieve maatstaven volgt uit de bewoordingen waarin de cao is gesteld.

Pensioenleeftijd is AOW-leeftijd

De kantonrechter oordeelt dat uit de bewoordingen van de arbeidsvoorwaardenregeling niet kan worden geconcludeerd dat met “pensioengerechtigde leeftijd” de leeftijd wordt bedoeld waarop X in aanmerking komt voor uitkeringen op grond van de door het pensioenfonds uitgevoerde regeling. De kantonrechter voert daarvoor de volgende overwegingen aan. Het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” komt in de arbeidsvoorwaardenregeling niet voor. Volgens normaal spraakgebruik wordt met dit begrip de AOW-leeftijd bedoeld. Er is volgens de kantonrechter geen reden om aan te nemen dat objectief gezien de woorden “pensioengerechtigde leeftijd” iets anders betekenen dan de voor X geldende AOW-leeftijd. De arbeidsvoorwaardenregeling verwijst in het geheel niet naar de pensioenregeling van het pensioenfonds, zodat de kantonrechter niet inziet waarom die regeling de inhoud van de arbeidsvoorwaardenregeling zou bepalen. De kantonrechter geeft aan dat het pensioenoverzicht weliswaar als pensioenrichtleeftijd de leeftijd van 68 jaar noemt, maar dit betreft een rekeneenheid die pensioenfondsen om het fiscaal maximale pensioen te bepalen en is bij gebrek aan aanknopingspunten in de arbeidsvoorwaardenregeling niet hetzelfde als pensioengerechtigde leeftijd. Hetzelfde geldt volgens de kantonrechter voor de in het pensioenoverzicht vermelde pensioendatum van 1 september 2022. Het noemen van deze datum in het pensioenoverzicht betekent niet zonder meer dat de pensioengerechtigde leeftijd deze leeftijd is. De pensioengerechtigde leeftijd moet een objectief bepaalbaar, vaststaand moment zijn. De bewoordingen van de bepalingen in de arbeidvoorwaardenregeling bieden echter volgens de kantonrechter geen houvast voor de gedachte dat de pensioendatum tevens de datum is waarop de werknemer de pensioengerechtigde leeftijd bereikt.

De kantonrechter concludeert dat, nu de bepalingen uit de arbeidsvoorwaardenregeling geen aanknopingspunten bieden voor de uitleg dat “pensioengerechtigde leeftijd” doelt op de leeftijd waarop X in aanmerking komt voor uitkeringen op grond van de door het pensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling, bij de uitleg van dit begrip teruggevallen moet worden op de wet. Artikel 7, lid 1 AOW definieert het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” als de leeftijd waarop recht op ouderdomspensioen ontstaat. De kantonrechter neemt aan dat het pensioenontslagbeding in de arbeidsvoorwaardenregeling daarbij aansluit. Dat leidt tot zijn oordeel dat onder pensioengerechtigde leeftijd in de arbeidsvoorwaardenregeling moet worden verstaan de leeftijd waarop het wettelijk recht op ouderdomspensioen ontstaat.

De kantonrechter wijst de verzoeken van X dan ook af.

Commentaar

De uitleg van het begrip “pensioengerechtigde leeftijd” in pensioenontslagbedingen leidde tot meerder gerechtelijke uitspraken, met wisselende uitkomsten. Soms werd de AOW-leeftijd als criterium genomen (zie bijvoorbeeld ons nieuwsbericht van 20 februari 2020) en soms de uit de aanvullende pensioenregeling voorvloeiende pensioenrichtleeftijd (zie bijvoorbeeld ons nieuwsbericht van 7 oktober 2019). Het hangt veelal af van de door partijen in de arbeidsovereenkomst en eventueel geïncorporeerde arbeidsvoorwaardenregelingen gekozen formulering. En dan nog kan dit tot verschillen uitkomsten leiden. Ook in dit geval waren er naar onze mening aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen. De kwalificatie van de in de door het pensioenfonds uitgevoerde pensioenregeling opgenomen pensioenrichtleeftijd als louter rekeneenheid om tot het fiscaal maximale pensioen te komen, is redelijk kort door de bocht. Hetzelfde geldt wat ons betreft voor de conclusie dat de op het pensioenoverzicht genoemde pensioendatum niet zonder meer de pensioengerechtigde leeftijd is. Ook deze datum is een objectief bepaalbaar, vaststaand moment. Wij zijn benieuwd wat de uitkomst van een eventueel hoger beroep zal zijn.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Den Haag, 19 mei 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:5157

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 31 mei 2021.