Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Pensioenreglement is leidend, zowel voor het opbouwpercentage als voor het aantal pensioengevende dienstjaren

Pensioenreglement is leidend, zowel voor het opbouwpercentage als voor het aantal pensioengevende dienstjaren

19 april 2021

X heeft een eindloonregeling met een opbouwpercentage van 1,75 per dienstjaar en een toetredingsleeftijd van 25 jaar. Dienstjaren zijn jaren tussen datum indiensttreding en pensioendatum. Toetredingsleeftijd 25 jaar is een drempel en geen wachttijd. Aan jaarlijks door de pensioenverzekeraar verstrekte overzichten kan X niet het vertrouwen ontlenen dat voor hem een hoger opbouwpercentage per dienstjaar geldt.

Eindloonregeling met toetredingsleeftijd 25 jaar

X treedt op 1 april 1990 op 24-jarige leeftijd in dienst bij Y BV. Hij gaat deelnemen aan de bij Y BV geldende eindloonregeling. In het pensioenreglement staat onder andere;

  • “Het jaarlijkse ouderdomspensioen bedraagt 1,75% van de pensioengrondslag voor elk dienstjaar.”
  • “Ouderdomspensioen; dit recht ontstaat op de eerste van de maand, waarin de deelnemer:
    - een diensttijd heeft van ten minste één jaar en tevens
    - de 25e verjaardag heeft bereikt.”
  • “Dienstjaren; het aantal jaren en volle maanden, gelegen tussen de datum van indiensttreding en de pensioendatum, met een maximum van 40 jaren.”

 

In de pensioenoverzichten die de pensioenverzekeraar verstrekte, staat:

  • “Dit overzicht is met de uiterste zorg opgesteld; er kunnen echter geen rechten aan worden ontleend. Als de pensioenaanspraken die u verkrijgt op grond van het pensioenreglement afwijken van de in dit pensioenoverzicht genoemde bedragen, is het pensioenreglement leidend.”

 

X en Y BV verschillen van mening over hoe hoog het opbouwpercentage per dienstjaar is en hoeveel pensioengevende dienstjaren in aanmerking moeten worden genomen.

Opbouwpercentage

X stelt dat uit de pensioenoverzichten die hij van de pensioenverzekeraar ontving ‘stelselmatig een beeld te zien is’ van een hoger opbouwpercentage dan 1,75%. Hij baseert dit op berekeningen die hij maakte op basis van de in de pensioenoverzichten vermelde bedragen. Op basis van deze ‘stelselmatige informatie’ mocht X volgens hem, als een op het gebied van pensioenen ondeskundige werknemer, erop vertrouwen dat deze uitgangspunten voortaan steeds zouden worden gehanteerd bij de berekening van zijn pensioenrechten.

Het Hof Den Haag verwerpt het standpunt van X. Er is volgens het hof onvoldoende grond om te oordelen dat bij X door het toedoen van Y BV het gerechtvaardigde vertrouwen is ontstaan dat hij recht had op een opbouwpercentage van 2%. Het hof verwijst daarbij naar de overgelegde pensioenoverzichten waarop X zich beroept. Daar is steeds duidelijk te lezen dat het pensioenreglement leidend is voor het vaststellen van de pensioenaanspraken, ook als deze tot andere bedragen zouden leiden dan in de overzichten zijn vermeld. Over de uitleg van het pensioenreglement op dit punt bestaat geen verschil van mening. In het pensioenreglement staat duidelijk dat er een vast opbouwpercentage van 1,75 per jaar geldt.

Op de tijdens de zitting gestelde vraag waarop X het vertrouwen op een hoger percentage baseerde, antwoordde X dat dit vertrouwen pas achteraf ontstond toen hij in september 2017 een brief ontving van de pensioenverzekeraar naar aanleiding van een andere, in zijn voordeel besliste, procedure. Toen is hij achteraf de jaarlijkse opbouwpercentages gaan berekenen van de in de overzichten vermelde bedragen. Volgens het hof blijkt uit deze feitelijke gang van zaken dus niet dat bij X in de loop der jaren het vertrouwen is ontstaan/gegroeid dat hij mocht uitgaan van de in de pensioenoverzichten genoemde bedragen. Het hof wijst de vordering van X op dit punt dan ook af.

Dienstjaren

Meer succes heeft X bij zijn standpunt dat voor het vaststellen van zijn pensioenaanspraken gerekend moet worden vanaf 1 april 1990, de datum waarop X in dienst trad en niet vanaf 1 januari 1991, de datum waarop X 25 jaar werd.

Het hof verwijst voor de uitleg van het pensioenreglement naar de zogeheten cao-norm. Dat betekent dat een bepaling naar de objectief kenbare betekenis moet worden uitgelegd. Het gaat volgens het hof in deze zaak uitsluitend om de tekst van het pensioenreglement. Er is geen toelichting op het reglement die aan de uitleg kan bijdragen.
Het hof constateert dat in het pensioenreglement is bepaald wanneer de werknemer begint met het opbouwen van pensioen. Daarvoor geldt een wachttijd van een jaar. Dit aanvangsmoment is volgens het hof iets anders dan de omvang van de opgebouwde rechten. Voor de omvang van de rechten wordt volgens het pensioenreglement gerekend met 1,75% van de pensioengrondslag voor elke dienstjaar. De definitie van dienstjaren brengt mee dat deze aanvangen op de datum van indiensttreding. X is op 1 april 1990 in dienst getreden bij Y BV. Dat leidt volgens het hof onweersproken tot de conclusie dat alle dienstjaren in aanmerking genomen moeten worden als pensioengevende dienstjarenp.

Commentaar

Bij pensioenregelingen kan sprake zijn van een zogenoemde wachttijd, of van een drempeltijd. Tijdens de parlementaire behandeling van de Pensioenwet formuleerde de wetgever het verschil in de Nota naar aanleiding van het verslag als volgt: “een wachttijd houdt in dat de eerste periode waarin een werknemer in dienst is geen pensioen wordt opgebouwd. In geval van een drempeltijd wordt deze periode alleen achteraf alsnog in aanmerking genomen wanneer iemand in dienst blijft” (blz. 92) . De tekst van een pensioenreglement is leidend. Daaruit bleek dat sprake was van een drempeltijd en niet van een wachttijd, al had de werkgever dat graag anders gezien en bedoeld. Hoe X op basis van datzelfde pensioenreglement tot de stellingname kwam dat hij recht had op een hoger opbouwpercentage per dienstjaar, is ons volstrekt een raadsel.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hof Den Haag 6 april 2021, ECLI:NL:GHDHA:2021:594.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 15 april 2021.