Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Pensioenverevening niet uitdrukkelijk uitgesloten in huwelijksvoorwaarden

Pensioenverevening niet uitdrukkelijk uitgesloten in huwelijksvoorwaarden

22 maart 2021

Omdat pensioenverevening niet duidelijk is uitgesloten in de huwelijksvoorwaarden heeft ex echtgenoot alsnog recht op verevening.

Niet vermelde pensioenen in het echtscheidingsconvenant

X en Y trouwden op 30 december 1961 onder algehele uitsluiting van gemeenschap van goederen. Het huwelijk is ontbonden door de inschrijving in de registers van de burgerlijke stand op 4 februari 1997. In het kader van hun echtscheiding sloten zij een (ongedateerd) echtscheidingsconvenant. Daarin staat over pensioen:

“ Zodra X de pensioengerechtigde leeftijd heeft bereikt zal hij in maandelijkse termijnen bij vooruitbetaling de helft van het tijdens de huwelijkse periode opgebouwde pensioen aan Y betalen. Als uitgangspunt voor de waarde van het ouderdomspensioen, polisnummer [nummer polis 1] , zal de opgave van het Pensioenfonds Nationale Nederlanden te Rotterdam gelden, zoals die opgemaakt wordt per datum van de inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand.

(…)

Met ingang van de pensioengerechtigde leeftijd van X neemt de uitkering tot levensonderhoud, zoals beschreven in artikel 3 een einde.”

X ontvangt uitkeringen krachtens zijn pensioen bij Nationale Nederlanden vanaf 1 april 2004.

Van de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij krijgt Y in oktober 2018 een brief waarin de Stichting meedeelt dat X pensioen heeft opgebouwd bij dit pensioenfonds (hierna ook te noemen: het tweede pensioen). Over dit pensioen staat niets in het echtscheidingsconvenant. Vanaf 1 maart ontvangt X dit pensioen.

Y verzocht X op 24 december 2018 om een overzicht van al zijn pensioenen. Na herhaling van dit verzoek antwoordt X op 20 maart 2019 dat hij (alleen) pensioenen heeft opgebouwd bij Nationale Nederlanden en bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij en dat dit laatste pensioen niet met haar verrekend hoeft te worden.

Vorderingen

Y vordert de rechtbank X te veroordelen tot betaling aan haar van

  •  € 50.134,21 bruto voor de periode 1 april 2004 t/m 31 december 2019 voor het door X opgebouwde pensioen bij Nationale Nederlanden en Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij;
  • vanaf 1 januari 2020 jaarlijks respectievelijk € 5.638,24 en € 6.758,20 bruto per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen, verhoogd met de jaarlijkse indexeringen, van het door X opgebouwde pensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij en Nationale Nederlanden met polisnummer [nummer polis 2]; en
  • vanaf 1 januari 2020 jaarlijks te betalen een bedrag van € 1.002 bruto per jaar, te voldoen in maandelijkse termijnen, van het door X opgebouwde levenslange ouderdomspensioen bij Nationale Nederlanden met polisnummer [nummer polis 3].

 

De rechtbank kent het door Y geëiste gedeeltelijk toe en veroordeelt X tot betaling van de helft van de bruto pensioenuitkeringen vanaf 28 mei 2014.

Verevening niet uitdrukkelijk uitgesloten

De rechtbank constateert dat X en Y zijn gescheiden nadat de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps) op 1 mei 1995 in werking is getreden. Volgens de Wvps vindt verevening van pensioenrechten als bedoeld in deze wet plaats, tenzij de echtgenoten bij huwelijkse voorwaarden of bij een bij geschrift gesloten overeenkomst met het oog op de scheiding uitdrukkelijk anders hebben bepaald (artikel 11 Wvps). In de huwelijksvoorwaarden van partijen, noch in het echtscheidingsconvenant, is uitdrukkelijk anders bepaald. Daarom moet volgens de rechtbank ook het tweede pensioen (het pensioen bij de Stichting Bedrijfspensioenfonds voor de Koopvaardij) in beginsel verevend te worden. Dit volgt (reeds) uit de wet, aldus de rechtbank.

X beroept zich nog op rechtsverwerking . Dit verweer faalt. Voor rechtsverwerking is meer nodig dan stilzitten. Volgens de rechter stelt X geen verklaringen en/of gedragingen van Y waaruit hij heeft mogen begrijpen dat Y haar rechten heeft verwerkt. Daarbij komt dat het stilzitten van Y volgens de rechtbank niet betekent dat voldaan is aan de wettelijke voorwaarde dat uitdrukkelijk moet zijn overeengekomen om het pensioen niet te verrekenen.

Verjaring

X beroept zich vervolgens op verjaring ex artikel 3:308 BW. En daarin wordt hij in het gelijkgesteld door de rechtbank.

Volgens dit artikel verjaart een periodieke vordering door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgend op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. X stelt dat de vordering van Y opeisbaar is geworden op het moment dat X zijn eerste uitkering krachtens het tweede pensioen ontving. Volgens X heeft Y voor het eerst per 28 mei 2019 aanspraak gemaakt op verevening van het tweede pensioen, zodat haar vordering is verjaard voor de periode tot 28 mei 2014.

De rechtbank onderschrijft de stelling van X dat de verjaringsregeling van artikel 3:308 BW toepasselijk is, nu het hier gaat om een periodieke uitkering als bedoeld in dit artikel. De vordering van Y is derhalve verjaard voor de periode voorafgaand aan 28 mei 2014.

Slotsom is dat de man, ten aanzien van zijn tweede pensioen, gehouden is om aan de vrouw de helft te betalen van zijn bruto pensioenuitkering, genoten vanaf 28 mei 2014.

Commentaar

De invoering van de Wet verdeling pensioen bij scheidingen (WPS) zal het aantal rechtszaken over dit soort geschillen beslist verminderen. Volgens het wetsvoorstel WPS worden de opgebouwde aanspraken tijdens het huwelijk/ geregistreerd partnerschap immers standaard geconverteerd, tenzij men anders is overeengekomen.

De behandeling van het wetsvoorstel WPS is al diverse keren uitgesteld. De eerder uitgestelde ingangsdatum naar 1-1-2022 lijkt daarmee minder haalbaar. Er gaan zelfs al stemmen op om de ingangsdatum uit te stellen naar 1 januari 2026. Het moment van de beoogde de Wet nieuw pensioenstelsel (met daarin de nieuwe afspraken over het partnerpensioen). 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Rechtbank Rotterdam, 10 maart 2021; ECLI:NL:RBROT:2021:1622

Dit bericht is aangepast naar de stand van zaken op 22 maart 2021