Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Pensioenverweer alleen mogelijk voor verminderd vooruitzicht op nabestaandenpensioen

1 april 2019

Nadat de man verzoekt om echtscheiding, doet de vrouw een beroep op pensioenverweer. Volgens de rechtbank kan het pensioenverweer slechts betrekking hebben op een verminderd vooruitzicht op (pensioen)uitkeringen bij vooroverlijden van de partij die de echtscheiding verzoekt.

Pensioenverweer

Een man en vrouw zijn getrouwd. De man wil scheiden en verzoekt de rechtbank om de echtscheiding uit te spreken. Hij stelt dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De vrouw betwist de gestelde duurzame ontwrichting niet, maar verzet zich tegen de verzochte echtscheiding op basis artikel 1:153 lid 1 van het Burgerlijk Wetboek (hierna BW); het zogenoemde pensioenverweer. Zij voert aan dat zij niet kan overzien of haar vooruitzicht op een uitkering als gevolg van de scheiding bij overlijden van de man verdwijnt of dat de uitkering vermindert.

De man heeft één of meer polissen van levensverzekering en / of pensioen, maar de vrouw weet niet hoe in geval van overlijden van de man de uitkering geregeld is. Mogelijk is de begunstiging onvoorwaardelijk aan de echtgenote gedaan en vervalt het recht op uitkering in geval van scheiding. De vrouw wenst dat de man de desbetreffende polissen in het geding brengt om haar aanspraken te kunnen vaststellen.

De man stelt zich op het standpunt dat het pensioenverweer niet opgaat. De advocaat van de vrouw beschikt sinds december 2016 over alle relevante financiële gegevens van hem. De man wijst op de jurisprudentie waarin is neergelegd dat een pensioenverweer concreet moet worden onderbouwd en voert aan dat de vrouw niet heeft voldaan aan haar stelplicht en bewijslast. De man stelt zijn gegevens inzake pensioen en levensverzekering in de echtscheidingsprocedure te hebben ingebracht.

Verminderd vooruitzicht op (pensioen)uitkeringen bij vooroverlijden

De rechtbank geeft de man gelijk.

Pensioenverweer is een verweer waarop de rechtbank moet beslissen voordat de echtscheiding kan worden uitgesproken door de rechtbank. Volgens de rechtbank kan het pensioenverweer slechts betrekking hebben op een verminderd vooruitzicht op (pensioen)uitkeringen bij vooroverlijden van de partij die de echtscheiding verzoekt, dus op nabestaandenpensioen. De rechtbank merkt op dat artikel 1: 153 lid 1 BW dateert van voor de invoering van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding en dat ten gevolge van deze wet vaak een toereikende voorziening ontstaat.

Volgens de rechtbank blijkt uit de wetsgeschiedenis, de jurisprudentie en de doctrine dat artikel 1:153 lid 1 BW uitdrukkelijk niet ziet op spaargelden en onroerende zaken en niet is bedoeld voor een voorziening als ouderdomspensioen. Uit wat door de vrouw is aangevoerd ter onderbouwing van het pensioenverweer is niet af te leiden dat door de echtscheiding rechten op nabestaandenpensioen voor haar verloren gaan, aldus de rechtbank.

De rechtbank verklaart het beroep van de vrouw op het pensioenverweer ongegrond en wijst het verzoek tot echtscheiding toe.

Commentaar

Volgens de rechtbank ziet pensioenverweer uitsluitend op het mogelijk gemis of vermindering van nabestaandenpensioen als gevolg van de scheiding. Dit blijkt uit onder meer jurisprudentie. Zie ook ons bericht hierover van 28 november 2018. Het is ons echter onduidelijk waarom de rechtbank de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding aanhaalt in haar uitspraak. Deze wet regelt immers – met uitzondering van pensioen van directeuren-grootaandeelhouder - uitsluitend de verdeling van het ouderdomspensioen bij scheiding. Het recht op bijzonder nabestaandenpensioen bij scheiding is geregeld in de Pensioenwet. Het feit dat de verdeling van ouderdoms- en nabestaandenpensioen bij scheiding wordt geregeld in twee verschillende wetten veroorzaakt kennelijk ook bij de rechtbank onduidelijkheid. De nieuwe wet over Pensioenverdeling bij scheiding waarvoor het ministerie van Financiën een internetconsultatie hield (zie ons nieuwsbericht van 12 december 2018), is een kans voor de overheid om dit recht te trekken. In verschillende reacties op die internetconsultatie is dit voorgesteld.

Ook onduidelijk is waarom de rechtbank in haar uitspraak ingaat op de mogelijkheid van ruilmogelijkheid op de pensioeningangsdatum van partnerpensioen in ouderdomspensioen. De rechtbank: “waar ten tijde van de pensioendatum gekozen is voor een hoger ouderdomspensioen ten koste van het partnerpensioen, dit niet geschiedt als gevolg van de echtscheiding en kan dit evenmin leiden tot een geslaagd pensioenverweer.” Mogelijk dat de vrouw dit als argument inbracht als kans op mislopen van partnerpensioen? Dat blijkt echter niet uit de uitspraak.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 29 maart 2019

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Noord Holland, 21 februari 2019