Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Pensioenverzekeraar is geen charitatieve instelling en financiële diensten en producten plegen geld te kosten

Pensioenverzekeraar is geen charitatieve instelling en financiële diensten en producten plegen geld te kosten

12 maart 2021

Deelnemer aanvaardt door aanmelding bij verzekeraar het beding dat werkgever verplicht is voor hem pensioenverzekering af te sluiten. Daardoor is deze deelnemer partij bij de uitvoeringsovereenkomst en de daarin genoemde verzekeringsvoorwaarden van de pensioenverzekeraar en dus ook bij hetgeen daarin is afgesproken over kosten en inhoudingen.

Verplichte collectieve pensioenverzekering

X was van 1 januari 1999 tot 31 december 2005 in dienst van Y BV. Y BV ging per 1 januari 1999 een collectieve pensioenverzekering aan met een pensioenverzekeraar. In het pensioenreglement staat dat het reglement deel uitmaakt van de arbeidsvoorwaarden tussen X en Y BV. De pensioenregeling kent een verplicht onderdeel (een ouderdomspensioen ten behoeve van de deelnemer met een dienstverband voor onbepaalde tijd en ingaande op de pensioenrichtdatum) en, naar keuze van de deelnemer, premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid.

De pensioenrechten zijn verzekerd door middel van een beleggingsverzekering bij leven. X betaalde 1/3 deel van de premie en Y BV de rest. Elke premie wordt, na inhouding van een percentage ter dekking van de eerste kosten en doorlopende kosten geïnvesteerd in beleggingseenheden van een beleggingsfonds van de verzekeraar.
De financiering van de ter dekking van de pensioenrechten afgesloten verzekeringen geschiedt door maandelijkse onttrekking van aan de verzekering toegewezen beleggingseenheden.
De verzekeraar verplicht zich om ten behoeve van de deelnemers een individuele pensioenverzekering af te geven.

X ondertekent in maart 1999 een aanmeldingsformulier waardoor hij deelneemt in de door de pensioenverzekeraar uitgevoerde collectieve pensioenregeling.

In 2014 vraagt X bij de verzekeraar een opgave van de in de loop der jaren op de premie ingehouden bedragen. X stelt bij de kantonrechter dat deze inhoudingen niet met hem zijn overeengekomen, althans dat hij bij aanvang van de overeenkomst niet op de inhoudingen is gewezen of daarover is geïnformeerd. Hij vordert (terug)betaling van de ingehouden € 11.000 vermeerderd met het daarover misgelopen rendement van gemiddeld 8% per jaar op grond van dwaling, toerekenbaar tekortschieten, onrechtmatige daad en/of vernietigbaarheid van de algemene voorwaarden van de verzekeraar. De kantonrechter oordeelt dat de vordering van X is verjaard en wijst hem af. X gaat in hoger beroep bij het hof Amsterdam.

Hof beoordeelt vordering toch inhoudelijk

Het gerechtshof Amsterdam ziet aanleiding om de gegrondheid van de vordering van X inhoudelijk, dus afgezien van het door de pensioenverzekeraar gedane beroep op verjaring, te beoordelen.

Het hof stelt allereerst vast dat niet in geschil is dat het om een verplichte collectieve pensioenregeling gaat als onderdeel van de arbeidsovereenkomst tussen X en Y BV. Evenmin is volgens het hof in geschil dat de voorwaarden van de pensioenregeling – waaronder die over kosten en inhoudingen – tussen X en de pensioenverzekeraar zijn overeengekomen en dat die voorwaarden zijn neergelegd in het reglement en de uitvoeringsovereenkomst en de daar genoemde algemene verzekeringsvoorwaarden van de pensioenverzekeraar.

Vervolgens concludeert het hof dat X zich door een aanmeldingsformulier bij de pensioenverzekeraar heeft aangemeld voor een individuele pensioenverzekering. Hierdoor wordt X volgens het hof geacht het beding in de uitvoeringsovereenkomst dat de pensioenverzekeraar verplicht is een individuele pensioenverzekering met hem af te sluiten te hebben aanvaard (artikel 6:253 BW). X geldt daarna als partij bij de uitvoeringsovereenkomst (artikel 6:254 BW) en dus ook bij hetgeen daarin is afgesproken over kosten.

Ook kan X zich volgens het hof niet met succes op de stelling beroepen dat hij op voorhand niet op de kosten is gewezen en daarover niet is geïnformeerd. X richtte volgens het hof zijn pijlen alleen op het gegeven dát de pensioenverzekeraar hem kosten in rekening bracht. Het hof stelt vast dat X niet in een andere positie zou hebben verkeerd als hij daar wel op voorhand op was gewezen en over was geïnformeerd. X was ingevolge zijn arbeidsovereenkomst met Y BV volgens het hof immers verplicht om deel te nemen aan de pensioenregeling bij de pensioenverzekeraar, terwijl hij door zijn aanmelding als deelnemer partij is geworden bij de uitvoeringsovereenkomst en bijbehorende voorwaarden met daarin afspraken tussen X en de pensioenverzekeraar over de kosten. X was bij zijn aanmelding als deelnemer niet in de positie om daar iets aan te veranderen, aldus het hof. Die afspraken waren voor hem een gegeven waaraan hij op de voet van artikel 6:254 BW van rechtswege was gebonden.

Tenslotte stelt het hof dat X als algemeen ervaringsfeit ermee bekend mag worden verondersteld dat er kosten mee zouden zijn gemoeid. Of, zoals het hof het formuleert; “De pensioenverzekeraar is geen charitatieve instelling en financiële diensten en producten waar het hier om gaat – investeren van premiegelden en beheren van beleggingsfondsen – plegen geld te kosten”.

Conclusie van het hof is dan ook dat de vorderingen van X op inhoudelijke gronden niet toewijsbaar zijn en dat zijn grieven tegen het door de kantonrechter gehonoreerde beroep op verjaring bij gebrek aan belang onbesproken kunnen blijven. Het hof bekrachtigt dan ook het bestreden vonnis.

Commentaar

In de bredere discussie over ons pensioenstelsel komt de zogenoemde grote verplichtstelling vaak aan de orde. Over de vraag of werkgevers verplicht kunnen/moeten worden zich aan te sluiten bij een verplichtgesteld bedrijfstakpensioenfonds wordt verschillend gedacht. In deze zaak speelt de zogenoemde kleine verplichtstelling een rol. De werkgever in kwestie was niet verplicht om zich aan te sluiten bij een bedrijfstakpensioenfonds en koos voor een rechtstreeks verzekerde pensioenregeling. De werknemer in kwestie kon, op basis van zijn arbeidsovereenkomst, niets anders doen dan zich daar bij neerleggen en zich aanmelden als deelnemer in deze door de werkgever verplicht opgelegde pensioenregeling. Het feit dat X ter dekking van de uit deze verplichte collectieve pensioenregeling voor hem voortvloeiende aanspraken een individuele pensioenverzekering moest afsluiten, maakt dat niet anders. Ook bij een rechtstreeks verzekerde regeling heeft een individuele deelnemer geen invloed op de inhoud en de wijze waarop deze bij een pensioenverzekeraar is ondergebracht. Uiteraard heeft de OR medezeggenschap bij de totstandkoming van de regeling en de keuze van de uitvoerder, maar nadat de regeling is overeengekomen en een uitvoeringsovereenkomst is afgesloten, neemt een werknemer deel aan die regeling. Hij heeft geen directe invloed op de met de verzekeraar overeengekomen voorwaarden en kosten. Die, zoals het hof fijntjes opmerkt, nu eenmaal gepaard gaan met een financieel product. Over de hoogte daarvan, liet het hof zich niet uit omdat dat niet ter discussie was gesteld. De werknemer klaagde immers niet over de hoogte van de ingehouden kosten, maar over het feit dát er kosten werden ingehouden.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Amsterdam 16 februari 2021, ECLI:NL:GHAMS:2021:510
Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 maart 2021.