Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Pre-BHW-lijfrente geen inkomen voor inwoner Thailand

21 februari 2014

Een inwoner van Thailand ontving in 2009 een lijfrente-uitkering van een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. De inspecteur en de rechtbank vinden dat Nederland hierover moet heffen. Gerechtshof Den Bosch concludeert anders.

Situatie

Meneer A. woont in Thailand. Hij ontving in 2009 een lijfrente-uitkering van een Nederlandse verzekeringsmaatschappij. Deze verzekeraar hield loonheffing in op de lijfrente-uitkering. A. claimde in zijn aangifte inkomstenbelasting aftrek ter voorkoming van dubbele belastingheffing over het bedrag van de ontvangen lijfrente-uitkering. De inspecteur weigerde dit. De Rechtbank Haarlem was het eens met de inspecteur. Naar onze mening op discutabele gronden. Zie ons nieuwsbericht van 26 augustus 2013. A. ging tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem in hoger beroep.

Gerechtshof Den Bosch

Het Gerechtshof vroeg de belastinginspecteur schriftelijk inlichtingen te geven.
In de brief van de Inspecteur van 18 november 2013 is onder meer het volgende vermeld:

 " (….) tijdens de zitting op 24 oktober 2013 [is] door uw Hof de vraag gesteld of de lijfrentepolissen die hier ter discussie staan, nationaalrechtelijk wel een bron van inkomen vormen voor een buitenlands belastingplichtige. In deze procedure is in geschil of het heffingsrecht over lijfrente-uitkeringen onder de toepassing van het belastingverdrag met Thailand aan Nederland is toegewezen. (……….) Ik heb daarom de adviseur verzocht om informatie over de onderliggende polissen. Hij heeft mij voorzien van de kopieën van de polissen die tot de bovengenoemde polissen bij de [B-maatschappij] hebben geleid (….). Uit deze kopieën blijkt dat het polissen betreft die zijn ontstaan onder het zogenaamde pre Brede Herwaarderingsregime. (….) Hierdoor vormen deze polissen ook onder de Wet inkomstenbelasting 2001 geen bron van inkomen voor een buitenlands belastingplichtige. De discussie of de heffing op grond van het verdrag aan Nederland of aan Thailand is toegewezen, is in deze zaak dus niet meer aan de orde."
Het gerechtshof: "Doende wat de Rechtbank had behoren te doen, zal het Hof het beroep gegrond verklaren, de uitspraak van de Inspecteur vernietigen en de aanslag verminderen …. komt hiermee tot de slotsom dat het hoger beroep gegrond is en dat de uitspraak van de Rechtbank moet worden vernietigd."

De Inspecteur verschuilde zich vervolgens achter het feit dat de adviseur niet naar voren had gebracht dat er sprake was van Pre Bredeherwaarderingpolissen. Daarom vond hij dat een proceskostenvergoeding aan A. achterwege mag blijven.

Ook daarmee maakte het Hof korte metten. Het Hof: "Gelet hierop alsmede op het feit dat de Inspecteur in de bezwaarfase - welke toch bedoeld is voor een volledige heroverweging van het besluit (hier: de aanslag) - niet heeft onderzocht of hij naar nationaal recht kon heffen en heeft nagelaten daartoe de onderliggende polissen op te vragen, is het Hof van oordeel dat de kosten van belanghebbende voor het beroep bij de Rechtbank en voor het hoger beroep bij het Hof eerst en vooral zijn veroorzaakt doordat de Inspecteur zijn onderzoeksplicht heeft verzaakt."

Commentaar

De Rechtbank wees de heffing aan Nederland toe op basis van - naar onze mening discutabele gronden. Het Hof komt aan de vraag aan wie de heffing is toegewezen echter niet toe omdat er geen sprake is van dubbele heffing. Pre Bredeherwaarderingslijfrenten zijn in Nederland geen bron van inkomen voor een buitenlands belastingplichtige, aldus het Hof.

Het Hof geeft zowel de Rechtbank als de Inspecteur een draai om de oren in dit arrest. Zij wijst de Inspecteur op zijn onderzoeksplicht. En, wanneer hij dat verzaakt, dat hij de eiser niet kan opzadelen met de kosten. De Rechtbank wordt erop gewezen dat het Hof nu doet wat de Rechtbank had moeten doen.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis
Bronnen: Hof Den Bosch, 10 januari 2014, nr. 13/00498