Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Premie vrijmaken van een vaste termijnverzekering tegen premiebetaling kan lonen

Premie vrijmaken van een vaste termijnverzekering tegen premiebetaling kan lonen

21 september 2020

X heeft in 1993 een vaste termijnverzekering tegen premiebetaling afgesloten bij een levensverzekeraar. De verzekering keert, onafhankelijk van het in leven zijn van X, het verzekerde bedrag in Australische dollars uit op de einddatum in 2013. De verzekering is in 1995 na twee jaar premiebetaling premievrijgemaakt. De verzekerde uitkering is vervolgens verlaagd. Bij uitkering in 2013 geeft X niets op in de aangifte inkomstenbelasting. De belastinginspecteur corrigeert daarop het inkomen van X met de gekregen verzekeringsuitkering minus de betaalde premies. X is het daar niet mee eens.

Is hier sprake van een belaste verzekeringsuitkering?

Een vaste termijnverzekering is een verzekering die uitkeert op de einddatum onafhankelijk van het in leven zijn van de verzekerde op dat moment. Als de verzekerde overlijdt, stopt de premiebetaling, maar de uitkering wordt niet verlaagd. Het verzekerde kapitaal wordt dan op de einddatum uitgekeerd.

In dit geval heeft X maar twee jaar premie betaald. Een bedrag van in totaal € 1.633. De verzekering loopt vervolgens voor een lager verzekerd bedrag door tot aan de einddatum. Op de einddatum van de verzekeringsovereenkomst op 16 maart 2013 keert de verzekeraar een bedrag van € 24.780 aan X uit. X geeft de uitkering niet op in de aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (hierna: IB/PVV) voor het jaar 2013. De belastinginspecteur corrigeert het aangegeven belastbare inkomen met een bedrag van € 23.147 (€ 24.780 min € 1.633).

Voor het hof was in geschil of de belastinginspecteur het bedrag van € 23.147 terecht in de heffing betrok. Volgens X is de vermelde uitkering aan te merken als een uitkering uit een valutatermijncontract die niet belastbaar is voor de inkomstenbelasting. Volgens de belastinginspecteur betreft het een uitkering uit een levensverzekering.

Het hof stelt de belastinginspecteur in het gelijk. Naar het oordeel van het hof is er sprake van een overeenkomst van levensverzekering omdat in 1993 tussen X en de verzekeraar is overeengekomen dat de premiebetaling afhankelijk is van het leven van X. Volgens het hof moet het karakter van de overeenkomst worden beoordeeld naar het moment van het aangaan van de overeenkomst (conform artikel 7:925, lid 1, BW). De premievrijmaking brengt daarin geen verandering, aldus het hof. De belastinginspecteur heeft terecht de door belanghebbende in 2013 ontvangen uitkering, verminderd met de betaalde premies, tot het belastbaar inkomen gerekend, aldus het Hof.

Door premievrijmaking verliest de overeenkomst de kwalificatie levensverzekering

X is het niet eens met de uitspraak van het hof. X vindt dat het hof ten onrechte oordeelde dat hier sprake is van een levensverzekering.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof heeft verzuimd het Haviltex-criterium op de inhoud en aard van de overeenkomst toe te passen. Daarnaast is de uitkering volgens de Hoge Raad geen uitkering uit een overeenkomst van levensverzekering.

Bij het oordeel wat de fiscale gevolgen zijn van de uitkering in 2013, gaat het erom wat op het moment van die uitkering de aard en inhoud is van de overeenkomst. Ook als de overeenkomst die X in 1993 is aangegaan een overlijdensrisico bezat ten aanzien van de premiebetaling, laat dat onverlet dat de overeenkomst op 16 maart 1995 zodanig is gewijzigd dat deze sindsdien geen enkel element van een overlijdensrisico had. Er is geen rechtsregel die aangeeft dat voor de duiding van de fiscale gevolgen van deze uitkering niettemin moet worden uitgegaan van de aard en inhoud van de overeenkomst voordat deze op 16 maart 1995 is gewijzigd.

De zaak wordt terugverwezen naar het hof.

Commentaar

De Hoge Raad oordeelt dat de vraag of er sprake is van een levensverzekering moet worden bepaald op het moment van sluiten. Dit oordeel biedt wellicht mogelijkheden voor verzekeringnemers met een vaste termijnverzekering die geen kapitaalvrijstelling meer hebben.

In deze zaak gaat het om de verzekering op vaste termijn tegen premiebetaling. Omdat deze verzekeringsvorm altijd op een vaste einddatum uitkeert, ongeacht of de verzekerde in leven is, is hier alleen maar sprake van een levensverzekering, doordat de premiebetaling onzeker is. De premiebetaling stopt namelijk bij het overlijden van de verzekerde. Dat is dus de enige kans op nadeel voor de verzekeraar, waardoor deze verzekeringsvorm als levensverzekering mag worden aangemerkt. Na premievrijmaking van deze verzekering is er geen enkel overlijdensrisico meer aanwezig. De verzekeraar verlaagt immers het verzekerd kapitaal gebaseerd op de beide premiebetaling en rekening houdend met kosten en rente. Het enige risico dat resteert is het valutarisico. En dat risico is voor de verzekeringnemer en niet voor de verzekeraar.

De Hoge Raad oordeelt dat niet moet worden uitgegaan van het moment van sluiten van de overeenkomst, maar van het moment van uitkeren. En op dat moment is er inderdaad geen sprake meer van een levensverzekeringsovereenkomst. Betekent dit ook dat een verzekeringnemer van een vaste termijnverzekering tegen premiebetaling, die geen kapitaalvrijstelling meer (over) heeft, vlak voor de einddatum de polis premievrij maakt ook geen belasting hoeft te betalen?

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 4 september 2020

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 21 september 2020