Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Prepensioen in mindering op WW-uitkering

10 april 2018

Prepensioen terecht in mindering gebracht op WW-uitkering. Een prepensioenuitkering wordt alleen dan niet gekort op de WW-uitkering, als dit prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies aan arbeidsuren in de dienstbetrekking waaruit het WW-recht is ontstaan.

Prepensioen in mindering gebracht op WW-uitkering

Na bijna 20 jaar full-time werken bij een Stichting, vermindert mevrouw Y haar werkzaamheden naar 20 uur. Tegelijkertijd gaat zij een dienstbetrekking aan bij A. Ook bij A werkt zij parttime . Na drie maanden met twee parttime dienstbetrekkingen naast elkaar, stopt Y haar werkzaamheden bij de Stichting. Vanaf dat moment (1 januari 2001) werkt Y fulltime bij A.

Bij de Stichting bouwde Y pensioen op. Dit was ondergebracht bij het Pensioenfonds Zorg en Welzijn (PFZW). Met ingang van 1 februari 2014 laat Y dat pensioen vervroegd uitkeren (prepensioen).

Op 1 juli 2014 eindigt de dienstbetrekking van Y bij A en gaat haar WW uitkering in. Het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) brengt het prepensioen van Y in mindering op de WW-uitkering.

Y is het er niet mee eens dat haar WW-uitkering wordt gekort met het prepensioen. Volgens haar komt dit prepensioen uit een andere dienstbetrekking die zij had naast de dienstbetrekking waaruit ze nu WW krijgt.

Rechtbank: prepensioen valt onder de uitzondering

De hoofdregel is dat een WW-uitkering gekort wordt met pensioenuitkeringen. Deze korting blijft alleen dan achterwege als de gerechtigde vóór het ontslag al een pensioenuitkering ontving en deze betrekking heeft op eerder het verlies van arbeidsuren. De uitzondering ziet volgens de wetsgeschiedenis op de situatie waarin een werknemer tijdens zijn dienstbetrekking besluit een gedeelte van zijn werktijd in te ruilen voor een prepensioen. Als deze werknemer vervolgens werkloos wordt en voor de resterende uren WW-uitkering aanvraagt, zou zonder deze bepaling het prepensioen in mindering moeten worden gebracht op de WW-uitkering.

Tot het inkomen dat wordt gekort op de WW wordt evenmin gerekend een pensioenuitkering die door de uitkeringsgerechtigde wordt ontvangen en die betrekking heeft op een andere dienstbetrekking dan de dienstbetrekking, waaruit de werkloosheid is ontstaan en die dienstbetrekkingen op enig moment naast elkaar werden vervuld. (artikel 3:5, tweede lid, van het AIB). De rechtbank achtte deze laatste uitzondering van toepassing op de situatie van Y.

Het Uwv is het daarmee niet eens. Volgens het Uwv gaat het erg ver om in een situatie als die van Y, waarin zij twee dienstbetrekkingen die zij op enig moment voltijd vervulde en gedurende drie maanden in deeltijd naast elkaar vervulde, te spreken van het “naast elkaar vervullen” van beide dienstbetrekkingen in de zin van artikel 3:5, tweede lid, van het AIB. Volgens het Uwv moet deze uitzonderingsbepaling terughoudend worden geïnterpreteerd en is die bepaling niet voor deze situatie geschreven. Omdat Y de dienstbetrekkingen niet volledig naast elkaar vervulde, kan er volgens het Uwv geen sprake zijn van “naast elkaar vervullen” in de zin van het AIB.

Centrale Raad van Beroep: uitzonderingen strikt uitleggen

De Centrale Raad van Beroep (de Raad ) stelt het Uwv in het gelijk en is van mening dat de rechtbank de uitzonderingen te ruim uitlegt.

De Raad: “Op grond van artikel 34, eerste lid, van de WW in verbinding met artikel 3:5, eerste lid, onder a, van het AIB geldt als hoofdregel dat prepensioen volledig wordt verrekend met de WW-uitkering. (…) Het prepensioen, dat betrokkene vanaf 1 februari 2014 ontving, is een uitkering als bedoeld in artikel 3:5, eerste lid, aanhef en onder a, van het AIB. Niet in geschil is dat de dienstbetrekking waaruit de werkloosheid is ontstaan een andere dienstbetrekking was dan die waaruit betrokkene het prepensioen ontving. (…)De vraag is of het prepensioen van betrokkene valt onder de uitzondering, zoals bedoeld in artikel 3:5, tweede lid, van het AIB, en dus niet moet worden aangemerkt als inkomen dat moet worden verrekend met haar WW-uitkering.”

De Raad is van mening de bepaling over het naast elkaar bestaan van twee dienstbetrekkingen restrictief moet worden uitgelegd. Het gaat immers om een uitzondering op de hoofdregel, aldus de Raad. De Raad verwijst daarbij naar haar uitspraak 29 oktober 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:3504.

Uit de tekst van artikel 3:5, tweede lid, van het AIB, volgt dat deze uitzonderingsbepaling alleen van toepassing is als het prepensioen voortvloeit uit een dienstbetrekking die (op enig moment) werd verricht naast de dienstbetrekking waaruit de werknemer werkloos wordt. Volgens de Raad kan deze uitzonderingsbepaling niet anders worden begrepen dan dat het gaat om prepensioen dat is aangewend ter compensatie van een verlies aan arbeidsuren uit een dienstverband dat (op enig moment) werd vervuld naast het dienstverband waaruit een werknemer werkloos wordt. Een soortgelijke uitzonderingsbepaling is immers gegeven in artikel 3:5, derde lid, van het AIB voor de situatie dat voor het intreden van de werkloosheid een prepensioen werd ontvangen dat betrekking heeft op een eerder verlies aan arbeidsuren, aldus de Raad.

Een ontvangen prepensioen wordt in die situatie alleen dan niet gekort op de WW-uitkering, als dit prepensioen betrekking heeft op een eerder verlies aan arbeidsuren in de dienstbetrekking waaruit het WW-recht is ontstaan. In alle overige gevallen waarin een prepensioen wordt ontvangen uit een eerdere dienstbetrekking dan waaruit een WW-recht is ontstaan, wordt dit prepensioen in mindering gebracht op de WW-uitkering, aldus de Raad (zie ook ons nieuwsbericht van 12 september 2017).

De Raad gaat verder: “Weliswaar staat vast dat betrokkene de dienstbetrekkingen met Stichting en A op enig moment (namelijk in de periode van 1 oktober 2000 tot 1 januari 2001) gedurende drie maanden naast elkaar heeft vervuld. (…) Echter ook staat vast dat betrokkene vanaf 1 januari 2001 voltijds is gaan werken bij A en daarmee haar verlies aan arbeidsuren bij Stichting volledig heeft gecompenseerd. Bovendien staat vast dat zij het prepensioen bij Stichting niet heeft opgenomen ter compensatie van haar verlies aan arbeidsuren bij Stichting, maar pas per 1 februari 2014 met als doel een teruggang in inkomen te compenseren na het einde van haar dienstverband bij A. Zodoende heeft betrokkene haar prepensioen niet aangewend ter compensatie van het verlies aan arbeidsuren uit het dienstverband bij Stichting en voldoet dit prepensioen niet aan de uitzonderingsbepaling van artikel 3:5, tweede lid, van het AI “.

Commentaar

In ons nieuwsbericht van januari 2018 leest u de voorwaarden waaronder een werknemer de ingangsdatum van zijn prepensioen kan uitstellen. Hij kan zijn prepensioen alleen uitstellen indien en voor zover hij doorwerkt. Werknemers kunnen dus  hun prepensioen niet uitstellen voor zover zij een WW-uitkering ontvangen. Daardoor wordt hun WW-uitkering doorgaans gekort met hun prepensioen.

De Raad schrijft dat haar uitleg in lijn is met doel en strekking van artikel 34 van de WW om slechts in een uitkering wegens loonderving te voorzien, voor zover niet een andere inkomensbron in deze loonderving voorziet. Doordat Y haar ouderdomspensioen vervroegde snijdt zij zich in de vingers en wordt haar pensioen gekort op de WW.                                                        

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van Beroep, 21 februari 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 april 2018