Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Pseudo-eindheffing excessieve vertrekvergoeding

5 augustus 2019

Q ontving van X BV € 5.000.000 vanwege de verkoop van de aandelen van een dochter-BV. De inspecteur legde aan X BV een eindheffing op van 30% wegens excessieve vertrekvergoeding. X BV trachtte aan de eindheffing te ontkomen door te stellen dat Q niet in loondienst was van X BV. De rechters gingen hier niet in mee.

Eindheffing excessieve vertrekvergoeding

In 2008 wilde het kabinet het verstrekken van excessieve beloningsbestanddelen minder aantrekkelijk maken. Een van de maatregelen daarvoor werd met ingang van 1 januari 2009 in de Wet op de loonbelasting 1964 (artikel 32bb) opgenomen. Die maatregel zorgt ervoor dat een excessieve vertrekvergoeding extra wordt belast.

Er kan alleen sprake zijn van een excessieve vertrekvergoeding wanneer het gewone jaarinkomen hoger is dan € 508.500 (2009) en de vertrekvergoeding hoger is dan één jaarloon. Indien een werkgever (inhoudingsplichtige) een excessieve vertrekvergoeding toekent, moet die werkgever een (eind)heffing van 30% afdragen over het excessieve deel van die vertrekvergoeding. Deze eindheffing komt naast de reguliere loonheffing die de werknemer over de vertrekvergoeding is verschuldigd.

Dienstbetrekking

X BV is de houdstermaatschappij van een Nederlandse groep vennootschappen. De activiteiten van deze groep vennootschappen omvatten het investeren in en managen van belangen in energie, vastgoed en private equity. De Energie Divisie van het concern bestaat uit verschillende vennootschappen. Deze zijn gestructureerd onder Y BV.

Op 15 januari 1982 sloten X BV en Q een schriftelijke arbeidsovereenkomst. Volgens deze overeenkomst trad Q in dienst van X BV als bedrijfskundige, verbonden aan de Energie Divisie. Het salaris dat de Q ontving voor zijn werkzaamheden bij de Energie Divisie van Y BV werd uitbetaald door X BV en vervolgens doorbelast aan Y BV.

Q werd vervolgens benoemd tot enig bestuurder van V BV (een dochter van Y BV), CEO van Y BV en tenslotte CEO van X BV. Eind 2008 besloot X BV de aandelen in Y BV te verkopen. Gedurende het verkoopproces maakte Q geen deel meer uit van de managementboard van X BV maar bleef hij wel opereren als managing director van Y BV. Dit stond in de brief van 11 december 2008 van X BV aan onder andere de bestuursleden, waaronder Q .

Op 12 mei 2009 tekent Q een arbeidsovereenkomst met Y BV. Eveneens op 12 mei 2009 stuurt Q een brief aan X BV betreffende “Resignation as managing director”. In de brief staat dat Q terugtreedt als managing director van X BV vanaf het moment dat de aandelen Y BV zijn overgedragen. Ook worden op 12 mei 2009 de door X BV gehouden aandelen in Y BV verkocht. In verband met de verkoop van de aandelen ontvangt Q op 20 mei 2009 van X BV een incentive fee van € 5.000.000. Per 1 juni 2009 gaat Q over naar de loonadministratie van Y BV. Vanaf dat moment betaalt Y BV het salaris van Q en draagt Y BV de verschuldigde loonbelasting af. Op 1 juli 2009 treedt Q af als CEO van Y BV en wordt de dienstbetrekking met Y BV ontbonden. Vanaf 1 juli 2009 tot 1 november 2010 was de heer Q commissaris van Y BV.

De inspecteur legt in 2014 een naheffingsaanslag loonheffing over 2009 op aan X BV van € 1.424.900. In dit bedrag is begrepen 30% eindheffing over het excessieve deel van de incentive van € 5.000.000 aan Q. X BV tekent bezwaar en vervolgens beroep aan tegen deze naheffingsaanslag. Volgens X BV was er geen dienstbetrekking tussen X BV en Q. Dan wel was Q zowel bij X BV als Y BV in loondienst.

Excessieve vertrekvergoeding

De vergoeding van € 5.000.000 die Q kreeg van X BV voldoet aan de definitie van een excessieve vertrekvergoeding als bedoeld in artikel 32bb Wet op de loonbelasting. Zowel de rechtbank als het hof komen tot de conclusie dat Q in dienstbetrekking stond tot X BV. Van belang daarbij is dat Q en X BV een arbeidsovereenkomst hebben gesloten. Hieraan doet niet af dat X BV Q te werk stelde bij dochters van X BV. Er was sprake van een gezagsverhouding tussen X BV en Q en Q moest persoonlijk arbeid verrichten. Hiervoor kreeg hij van X BV een loon uitbetaald. Het maakt daarbij niet uit of X BV de loonkosten van Q doorbelaste aan andere BV ‘s.

Volgens X BV is, als er al sprake is van een dienstbetrekking met Q, de dienstbetrekking uiterlijk beëindigd op 11 december 2008. In de brief van dezelfde datum stond namelijk dat Q geen deel meer uit maakte van het bestuur van X BV. Vanaf die datum heeft Q, volgens X BV, ook geen werkzaamheden meer verricht voor X BV.

De rechters zijn van mening dat de dienstbetrekking van Q met X BV pas op 12 mei 2009 is beëindigd. Zij komen tot dit besluit omdat Q p 12 mei 2009 een schriftelijke arbeidsovereenkomst met Y BV tekende. In deze overeenkomst wordt onder meer de bestaande dienstbetrekking met X BV beschreven. Tevens is in deze overeenkomst opgenomen dat de overeenkomst wordt aangegaan voor onbepaalde tijd en begint wanneer de verkoop en overdracht van de aandelen Y BV is voltooid. De verkoop en overdracht van de aandelen heeft eveneens op 12 mei 2009 plaatsgevonden. Daarnaast heeft Q per brief van 12 mei 2009 zijn ‘resignation as managing director’ van X BV ingediend, eveneens onder voorbehoud van de totstandkoming van de overwogen verkoop en overdracht van de aandelen in Y BV. Volgens de rechter kan er op basis van deze gronden ook geen sprake zijn van zowel een dienstbetrekking bij X BV als Y BV in de periode vóór 12 mei 2009.

Het hof stelt de inspecteur in het gelijk. De inspecteur kan de naheffingsaanslag in stand houden.

Commentaar

Met ingang van 2009 is er een extra heffing over excessieve vertrekvergoedingen in de wet opgenomen. Volgens de wettekst 2009 is de werkgever over de excessieve beloning een eindheffing verschuldigd van 30%. In de huidige wettekst is dit tarief al opgelopen naar 75%!. Het ziet er naar uit dat X BV is overvallen door deze maatregel. Want zoals in de uitspraak werd aangegeven had X BV makkelijk onder deze heffing kunnen uitkomen als Q zowel in loondienst was bij X BV en Y BV. In dat geval zou zijn salaris bij X BV lager zijn dan het toets bedrag. X BV probeerde nog wel aan te tonen dat Q praktisch voor beide BV ’s werkzaamheden verrichtte en daardoor moest worden geacht in loondienst te staan van beide BV ‘s. Maar de rechters oordeelde op formele gronden anders.

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 15 mei 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 2 augustus 2019.