Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Pyrrusoverwinning; Werkgever aansprakelijk, maar geen schade omdat salaris lager is dan franchise.

Pyrrusoverwinning; Werkgever aansprakelijk, maar geen schade omdat salaris lager is dan franchise.

26 mei 2020

Werknemer met nulurencontract raakt arbeidsongeschikt. Werkgever meldde hem niet aan bij de pensioenverzekeraar. Werkgever handelde hierdoor niet als goed werkgever en moet de schade die de werknemer hierdoor leidt vergoeden. Werknemer had echter salaris dat niet boven franchise uitkwam en kwam door beëindiging van het contract voordat hij een IVA-uitkering ontving niet in aanmerking voor premievrijstelling. Hij leed dus geen schade.

Goed werkgeverschap geldt ook bij nulurencontract.

X was van februari 2017 tot en met augustus 2017 op basis van een tijdelijk nulurencontract in dienst bij B BV. Artikel 6 van zijn arbeidsovereenkomst luidt; “voor de in dienst zijnde werknemers is er een pensioenregeling bij de pensioenverzekeraar van kracht. Op uitdrukkelijk verzoek van de werknemer kan hiervan worden afgezien”. In artikel 14 van de arbeidsovereenkomst staat: “aanvullingen op, en afwijkingen van deze arbeidsovereenkomst zullen alleen geldig zijn indien en voor zover zij schriftelijk tussen partijen zijn overeengekomen, of schriftelijk door de werkgever zijn bevestigd”.

In maart 2017 raakt X door een arbeidsongeval volledig arbeidsongeschikt. Zijn tijdelijke contract wordt niet verlengd. Vanaf augustus 2017 ontvangt X een ZW-uitkering en vanaf maart 2019 een IVA-uitkering gebaseerd op 100% arbeidsongeschiktheid. X vraagt zijn werkgever om hem het pensioenreglement te sturen. Deze antwoordt daarop dat er geen pensioenverzekering voor X is afgesloten.

X stapt naar de kantonrechter omdat hij vindt dat B BV aansprakelijk is voor de door hem geleden en nog te lijden schade als gevolg van het niet onderbrengen van de met hem gesloten pensioenovereenkomst. Hij voert daartoe aan dat B BV op grond van de Pensioenwet verplicht is de tussen partijen gesloten pensioenovereenkomst onder te brengen bij de in de arbeidsovereenkomst genoemde pensioenverzekeraar. B BV heeft dit nagelaten en is vanwege deze tekortkoming volgens X aansprakelijk voor de schade die hij hierdoor lijdt. Die schade bestaat uit enerzijds het niet opbouwen van pensioen tijdens het dienstverband en anderzijds uit het niet verzekeren van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. B BV stelt hier tegenover dat uit artikel 6 van de arbeidsovereenkomst niet een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst kan worden afgeleid. Voor zover wel wordt aangenomen dat een dergelijk aanbod is gedaan, geldt volgens B BV dat X dit aanbod niet heeft aanvaard. X ondertekende de arbeidsovereenkomst namelijk niet en ging dus niet akkoord met het sluiten van een pensioenovereenkomst.

De kantonrechter stelt allereerst vast dat tussen partijen niet in geschil is dat zij een arbeidsovereenkomst met elkaar hebben gesloten met de rechten en verplichtingen zoals vermeld in de door X overgelegde schriftelijke arbeidsovereenkomst. Volgens de kantonrechter volgt uit de tekst van artikel 6 van de arbeidsovereenkomst dat X ervan uit mocht gaan dat voor hem vanaf de datum van indiensttreding een pensioenregeling bij de pensioenverzekeraar van kracht was, tenzij hij daar zelf van zou afzien.

De kantonrechter is van oordeel dat met de verwijzing naar een pensioenregeling bij de pensioenverzekeraar het aanbod voldoende bepaald is om op grond van artikel 7, lid 1 Pensioenwet een pensioenovereenkomst tot stand te kunnen laten komen. B BV heeft niet gesteld dat X uitdrukkelijk heeft verzocht om van de aangeboden pensioenregeling af te zien. De bewoordingen van artikel 6 laten volgens de kantonrechter geen andere conclusie toe dat dit betekent dat B BV ervan uit moest gaan dat X de pensioenregeling bij de pensioenverzekeraar stilzwijgend heeft aanvaard. Voor de totstandkoming van een pensioenovereenkomst gelden geen vormvereisten, zodat in zoverre niet relevant is of X de arbeidsovereenkomst al dan niet heeft ondertekend. Want, zo constateert de kantonrechter, tussen partijen is immers niet in geschil dat de schriftelijke arbeidsovereenkomst een correcte weergave geeft van de afspraken die zijn gemaakt. Omdat uit de arbeidsovereenkomst al volgt dat er een pensioenregeling is, hoeft er volgens de kantonrechter geen aparte pensioenovereenkomst te worden opgemaakt. De kantonrechter concludeert dan ook dat hieruit volgt dat X erop mocht vertrouwen dat voor hem een pensioenregeling bij de pensioenverzekeraar van kracht was. Het feit dat X als oproepkracht een variabel salaris had, staat daaraan volgens de kantonrechter niet in de weg. Het soort arbeidscontract en de hoeveelheid afgesproken uren mag geen invloed hebben op de deelname aan de pensioenregeling. De kantonrechter wijst op artikel 8 Pensioenwet dat regelt dat ook aan deeltijdwerkers, waaronder ook oproepkrachten worden verstaan, een aanbod tot het sluiten van een pensioenovereenkomst moet worden gedaan.

De kantonrechter oordeelt dat B BV op grond van artikel 21 Pensioenwet gehouden was om de pensioenverzekeraar te informeren over de met X tot stand gekomen pensioenovereenkomst. Door dit na te laten is B BV als werkgever tekortgeschoten in een op haar rustende verplichting. B BV heeft niet als goed werkgever gehandeld en is op die grond gehouden de schade te vergoeden die X hierdoor leidt.

Welke schade?

De kantonrechter vervolgt met de constatering dat X alleen belang heeft bij zijn vordering wanneer aannemelijk is dat hij enige schade heeft geleden. En dat is volgens de kantonrechter niet het geval. X had een tijdelijk contract dat in augustus 2017 door het verstrijken van de overeengekomen looptijd van zes maanden van rechtswege eindigde. Op dat moment kwam X volgens het pensioenreglement nog niet in aanmerking voor premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid omdat hij nog geen IVA-uitkering ontving. Die kreeg hij pas vanaf maart 2019 en als hij nog deelnemer in de pensioenregeling was geweest, was hij vanaf die datum in aanmerking gekomen voor premievrije voortzetting van zijn pensioenaanspraken. De aanspraak op vrijstelling van premiebetaling bij arbeidsongeschiktheid verviel - ook als X wel als deelnemer bij de pensioenverzekeraar was aangemeld door B BV - door het einde van zijn dienstverband. Van schade door het niet verzekeren van premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid, is dus geen sprake.

Volgens de kantonrechter is ook geen sprake van schade door gemiste pensioenopbouw tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst. X ontving tijdens zijn dienstverband in het totaal ruim € 2.500 aan bruto loon. Dit bedrag is lager dan de minimaal vereiste franchise van, in 2017, € 13.123, zodat niet aannemelijk is dat dat X tijdens de looptijd van de arbeidsovereenkomst pensioenopbouw heeft gemist. Ook hier is volgens de kantonrechter dus geen sprake van schade aan de kant van X en hij wijst diens vordering dan ook bij gebrek aan belang af.

Commentaar

Een typisch geval van een Pyrrusoverwinning. Een Pyrrusoverwinning betekent dat iets een overwinning lijkt, terwijl het eigenlijk een verlies is. X won ogenschijnlijk de procedure omdat zijn werkgever aansprakelijk werd geacht voor de gevolgen van het niet aanmelden van X bij de pensioenverzekeraar. Deze aansprakelijkheid leidde echter niet tot een schadevergoeding omdat X volgens de kantonrechter geen schade had. Op het moment dat hij in aanmerking zou komen voor premievrijstelling wegens arbeidsongeschiktheid, was hij geen deelnemer meer in de pensioenregeling en zijn salaris was lager was dan de franchise, zodat er per definitie geen sprake kon zijn van pensioenopbouw. Ook niet als de werkgever wel aan zijn verplichtingen had voldaan.

Opvallend hierbij is echter dat de kantonrechter in zijn berekening uitgaat van de volledige franchise van ruim € 13.000. Zoals de kantonrechter zelf in r.o. 5.10 aangeeft, vallen oproepkrachten onder het begrip deeltijdwerkers in de Pensioenwet. Op grond van artikel 8, lid 2 Pensioenwet wordt voor de toepassing van een franchise het loon van een werknemer die minder dan de volledige arbeidstijd werkzaam is, herleid naar het loon dat ingeval van een volledige arbeidstijd zou zijn verkregen. Uit de uitspraak valt niet eenduidig af te leiden hoeveel uur X feitelijk werkte. Hij had een bruto loon van € 13,91 per daadwerkelijk gewerkt uur. Gedurende zijn dienstverband ontving hij in het totaal € 2.538,58 aan bruto loon. Dat betekent dat hij 182,5 uur heeft gewerkt gedurende zijn dienstverband van zes maanden. Uitgaande van een 40-urige werkweek bedraagt een voltijd dienstverband gedurende zes maanden dus 960 uur en zou X een deeltijdfactor van ongeveer 20% hebben. In dat geval zou hij op basis van de herrekening zoals bedoeld in artikel 8, lid 2 Pensioenwet (net) boven de franchise uitkomen en dus wel enige pensioenopbouw gehad hebben als zijn werkgever hem wel had aangemeld bij de pensioenverzekeraar. Maar, zeker gezien het feit dat X al na een maand 100% arbeidsongeschikt werd en verder niet duidelijk is waarop het door de kantonrechter gehanteerde bedrag van € 2.538 aan loon is gebaseerd, is dit allerminst zeker. Echter, hetzelfde geldt voor de impliciete veronderstelling van de kantonrechter dat X gedurende zes maanden wekelijks 40 uur werkte (hij hanteer immers de volledige franchise).

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Oost-Brabant, 14 mei 2020, ECLI:NL:RBOBR:2020:2504

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 26 mei 2020.