Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Is revisierente bij afkoop lijfrente terecht?

6 juni 2017

Als een belastingplichtige een handeling verricht met zijn lijfrente die niet is toegestaan, moet hij inkomstenbelasting en revisierente betalen over de waarde van de totale aanspraak. Een belastingplichtige stelt dat de heffing van revisierente in zijn geval niet terecht is. Het gerechtshof beslist echter anders.

Revisierente bij afkoop lijfente

De heer B sloot in 1994 een lijfrenteverzekering af bij een verzekeraar Y. De premies voor deze verzekering trok hij jaarlijks af van zijn belastbaar inkomen. In 2014 kocht B deze lijfrente af. De afkoopsom, groot € 29.820, gaf B in zijn aangifte inkomstenbelasting aan als inkomen. De inspecteur bracht over deze afkoopsom 20% revisierente bij B in rekening.

B is het niet eens met de heffing van de revisierente. Hij stelt dat de revisierente buiten proportie is ten aanzien van het voordeel dat hij heeft genoten. Het beleggingsvoordeel was immers negatief. Verder stelt B dat hij ongelijk is behandeld nu hij in verband met zijn persoonlijke financiële situatie min of meer gedwongen is de lijfrenteverzekering af te kopen. Tenslotte stelt  hij  dat de heffing van revisierente in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol bij het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (Eerste Protocol).

De inspecteur beroept zich op artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (AWR).

Hof Den Haag

Hof Den Haag verwerpt de stellingen van B en motiveert dit als volgt.

Volgens de wet is een belastingplichtige bij afkoop van een lijfrente 20% revisierente verschuldigd. Daarbij gaat het er niet om of de in rekening gebrachte revisierente buiten proportie is ten opzichte van het rendement van de afgekochte polis. Tijdens de parlementaire behandeling heeft de Raad van State hierover het volgende opgemerkt:

‘Bij het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven wordt op grond van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tevens revisierente in rekening gebracht. Deze vormt een «rente»vergoeding voor het feit dat de belasting over de premies én het behaalde rendement pas op een (veel) later tijdstip is verschuldigd dan ingeval de lijfrente van begin af aan als een niet gefacilieerd spaarproduct zou zijn behandeld. De revisierente bedraagt, behoudens de mogelijkheid tot tegenbewijs, 20% van de waarde van het recht. Met dit geheel van negatieve uitgaven en revisierente wordt voorkomen dat een belastingplichtige die een lijfrente waarvoor premie-aftrek is genoten in een later stadium afkoopt, per saldo «beter» af zou zijn dan een belastingplichtige die van begin af aan zijn geld zou hebben belegd in een regulier spaarproduct dat onder het forfaitaire rendement valt.’

De revisierente wordt in rekening gebracht om een timing-voordeel teniet te doen. Een dergelijk voordeel staat geheel los van het daadwerkelijk op de lijfrente behaalde rendement, aldus het hof.

Voor het geval je niet eens bent met de hoogte van de berekende revisierente geldt de tegenbewijsregeling uit artikel 30i AWR. Deze is uit doelmatigheidsreden beperkt tot 10 jaar nadat lijfrentepremieaftrek is genoten. Hierdoor slaagt B niet in zijn verweer dat de regeling van de revisierente willekeurig is.

Ook de stelling van B dat de inspecteur bij het in rekening brengen van revisierente rekening had moeten houden met zijn (beperkte) draagkracht verwerpt het hof. Immers de wettelijke bepalingen bieden geen mogelijkheid om rekening te houden met de persoonlijke (financiële) omstandigheden van de belastingplichtige.

Of een belastingregeling in strijd is met artikel 1 Eerste Protocol hangt af in hoeverre er een behoorlijk evenwicht (fair balance) is tussen het algemene belang en het belang van het betreffende individu. Volgens de jurisprudentie moet aantasting van het eigendomsrecht een wettelijke grondslag te hebben, een legitiem doel in het algemeen belang na te streven en een redelijk en proportioneel middel te vormen om dat doel te bereiken. De rechtbank en het hof zijn van oordeel dat de revisierente een legitiem doel nastreeft, waarbij sprake is van een behoorlijk evenwicht tussen het algemeen belang en het belang van eiser.

Commentaar

In ons bericht van 6 maart 2017 bespraken wij een soortgelijke uitspraak. In ons commentaar stelden wij toen dat de revisierente met name in rekening wordt gebracht om het voordeel dat de belastingplichtige heeft genoten door uitstel van belastingheffing te corrigeren. Het uitstel van belastingheffing komt er op neer dat de belastingplichtige,  zolang er sprake is van een lijfrente, over dit vermogen geen belasting in box 3 hoeft te betalen. Het hof bevestigd deze zienswijze in deze uitspraak.

Onze conclusie blijft dus dat deze uitspraak niet verrassend is gezien de bepaling in artikel 30i AWR.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 18 januari 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 2 juni 2017.