Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Revisierente niet willekeurig of disproportioneel

23 september 2016

X koopt een lijfrente af. Hij moet 20% revisierente betalen over de afkoopsom. X is het niet eens met de hoogte van de revisierente. Hij vindt de hoogte disproportioneel en willekeurig. De rechtbank is het niet met X eens. Lees hierna waarom.

Procedure

X heeft een lijfrenteverzekering bij ASR gesloten. In 2014 koopt hij deze lijfrente af en ASR betaalt hem een bedrag van bijna € 30.000. Ten tijde van de afkoop liep de lijfrenteverzekering meer dan 10 jaar. De inspecteur belast de uitkering in box 1 met inkomstenbelasting en brengt 20% revisierente over de afkoopsom aan X in rekening.

X vindt de bepaling van de revisierente van 20% van de afkoopsom willekeurig omdat de inspecteur geen rekening houdt met het behaalde rendement. Ook vindt hij de beperkte duur van de tegenbewijsregeling willekeurig. Volgens X is de in rekening gebrachte revisierente in zijn geval buiten proportie ten opzichte van het rendement van de afgekochte lijfrenteverzekering.

Rechtbank

Rechtbank Den Haag is het niet eens met de verschillende argumenten die X aandraagt. De rechtbank vindt dat de omvang van revisierente niets te maken heeft met het rendement op de lijfrenteverzekering. Volgens de parlementaire behandeling is revisierente een vergoeding voor het verkregen fiscale voordeel bij aftrek van de premie en het later belasten van het rendement. De hoogte van de revisierente is dus volgens de rechtbank niet disproportioneel.

Op grond van de tegenbewijsregeling mogen belastingplichtigen uitgaan van een lagere revisierente als blijkt dat de heffingsrente bij navordering over de premieaftrek lager zou zijn. Volgens de parlementaire behandeling van de wet is de tegenbewijsregeling op grond van doelmatigheidsreden beperkt tot 10 jaar. Vanwege deze termijnbeperking kan de rechtbank het bezwaar van X niet inwilligen.

X stelt verder dat de inspecteur bij het in rekening brengen van revisierente rekening had moeten houden met zijn beperkte draagkracht. Volgens de rechtbank biedt de wet hier onvoldoende aanknopingspunten voor.

X vindt de wettelijke bepalingen van de revisierente onbillijk en onrechtvaardig. De rechtbank kan niet ingaan op dit bezwaar omdat de rechter volgens de wet moet rechtspreken. Hij mag geen oordeel geven over de billijkheid of rechtvaardigheid van een wet.

X doet ook nog een beroep op het gelijkheidsbeginsel. Volgens de rechtbank kan een dergelijk beroep alleen slagen als sprake is van ongelijke behandeling van gelijke gevallen. Dat gelijke gevallen anders worden behandeld dan X is niet gesteld en ook niet gebleken.

Het argument van X dat revisierente in strijd is met artikel 1 van het Eerste Protocol van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (het Protocol) volgt de Rechtbank niet. “De in dit artikel met het oog op het heffen van belasting toegelaten aantasting van het eigendomsrecht dient volgens de jurisprudentie van het EHRM een wettelijke grondslag te hebben, een legitiem doel in het algemeen belang na te streven en een redelijk en proportioneel middel te vormen om dat doel te bereiken. Er moet derhalve een behoorlijk evenwicht (fair balance) zijn tussen het algemene belang en het belang van het betreffende individu. Deze balans ontbreekt indien de maatregel in de concrete omstandigheden van het geval leidt tot een individuele en buitensporige last.” De rechtbank meent dat de desbetreffende revisierente een legitiem doel nastreeft, waarbij sprake is van een behoorlijk evenwicht tussen het algemeen belang en het belang van eiser. De Rechtbank vindt de verschuldigde revisierente niet onevenredig hoog.

Commentaar

X meent dat in zijn geval de revisierente van 20% van de afkoopwaarde te hoog uitvalt. Voor deze stelling brengt hij nogal wat argumenten naar voren. Maar deze worden door de Rechtbank een voor een verworpen. Maar zijn de argumenten van X zo vreemd? Het uitgangspunt van de revisierente is kennelijk dat hiermee het belastingvoordeel wordt teruggehaald. Maar de hoogte van het belastingvoordeel wordt toch niet alleen bepaald door de hoogte van de uitkering en daarmee het rendement? In de praktijk betekent dit dat personen met dezelfde lijfrentepremieaftrek maar met een verschillend rendement verschillend worden belast. Op grond hiervan zou je kunnen stellen dat de wettelijke regeling willekeurig is of althans verschillend uitwerkt. Maar hier kan de rechter niets mee want hij mag een wet niet beoordelen naar de zijn waarde of billijkheid.

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Den Haag, d.d. 13 juli 2016; ECLI:NL:RBDHA:2016:7890