Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Revisierente terecht bij afkoop lijfrente

6 mei 2019

Mevrouw Y koopt in 2015 haar lijfrente af. De inspecteur brengt haar 20% revisierente in rekening. Zij vindt deze heffing niet redelijk en billijk. De rechtbank past de wet toe en staat de revisierente toe.

Afkoop lijfrente

Mevrouw Y betaalt in 1994 een koopsom van € 7.284 voor een lijfrenteverzekering. In 2015 koopt zij die lijfrenteverzekering af. De verzekeraar houdt € 9.791 aan loonheffing in. Bij de aanslag inkomstenbelasting brengt de inspecteur 20% revisierente in rekening aan Y.

Y vindt dat in haar geval de revisierente niet redelijk en billijk is. Als zij niet tot afkoop zou zijn overgegaan, zou zij pas later belasting verschuldigd zijn geworden. Daarbij komt dat zij in economische zin geen positief rendement heeft behaald.

Revisierente bij afkoop lijfrente

In de wet staat dat wanneer een lijfrente waarvoor de premie is afgetrokken niet volgens de voorwaarden wordt uitgevoerd, de belastingplichtige 20% revisierente verschuldigd is over de waarde van de lijfrente. De Rechtbank haalt hierbij de volgende wetsgeschiedenis aan:

Bij het in aanmerking nemen van negatieve uitgaven wordt op grond van artikel 30i van de Algemene wet inzake rijksbelastingen tevens revisierente in rekening gebracht. Deze vormt een «rente»vergoeding voor het feit dat de belasting over de premies én het behaalde rendement pas op een (veel) later tijdstip is verschuldigd dan ingeval de lijfrente van begin af aan als een niet gefacilieerd spaarproduct zou zijn behandeld. De revisierente bedraagt, behoudens de mogelijkheid tot tegenbewijs, 20% van de waarde van het recht.

Met dit geheel van negatieve uitgaven en revisierente wordt voorkomen dat een belastingplichtige die een lijfrente waarvoor premie-aftrek is genoten in een later stadium afkoopt, per saldo «beter» af zou zijn dan een belastingplichtige die van begin af aan zijn geld zou hebben belegd in een regulier spaarproduct dat onder het forfaitaire rendement valt.” (Kamerstukken, 26 728, A, p. 12):

De Rechtbank stelt vast dat de revisierente terecht in rekening wordt gebracht omdat Y onterecht in het verleden premieaftrek heeft genoten. Door afkoop van de lijfrente voldeed zij niet aan de voorwaarden die golden voor die aftrek. De revisierente is niet bedoeld als rentevergoeding voor het verschil tussen heffing ineens over een afkoopsom en heffing in de loop der tijd over periodieke uitkeringen, maar redresseert (slechts) de omstandigheid dat in het verleden ten onrechte premieaftrek is genoten.

De Rechtbank mag, net zo als elke andere rechter, de innerlijke redelijkheid van de wetgeving niet toetsen. Wel moet de rechter in het kader van wetsuitleg beoordelen of de toepassing van de wet in overeenstemming is met de bedoeling van de wetgever. Gezien de hiervoor weergegeven wetsgeschiedenis is dat naar het oordeel van de rechter in onderhavige zaak het geval.

Commentaar

Revisierente blijft een punt van discussie voor belastingplichtigen. Wij hebben hier al diverse nieuwsberichten over geschreven. Bijvoorbeeld het bericht van 13 februari 2018. Van mei 2018 en mei 2019 selecteerden wij er al twaalf. En het hadden er net zo goed het dubbele aantal kunnen zijn. Uit die rechtelijke uitspraken blijkt steeds weer dat revisierente een correctie is op het belastingvoordeel dat de belastingplichtige heeft bedongen bij aftrek van de lijfrentepremie. Het moment van heffen en het eventuele rendement dat met de lijfrente is behaald, is daarbij niet van belang. Ook de hoogte van deze correctie staat vast op 20% van de waarde tenzij de tegenbewijsregeling van toepassing. De belastingplichtige kan de tegenbewijsregeling alleen toepassen als ten tijde van de afkoop de lijfrentepremieaftrek minder dan tien jaar geleden plaatsvond. De belastingdienst heeft op haar website een rekenhulp voor het bepalen van de revisierente. Zie ook ons nieuwsbericht hierover.

Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 6 maart 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 mei 2019.