Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Schending zorgplicht door overnemend pensioenfonds dat bij art. 83 CWO deelnemers niet wijst op mogelijk korten.

14 mei 2018

Collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 83 Pensioenwet van verzekeraar naar pensioenfonds. Pensioenfonds informeert (gewezen) deelnemers over mogelijkheid om bezwaar te maken en wijst er daarbij niet op dat het fonds de pensioenen kan afstempelen, hetgeen bij de verzekeraar niet het geval is. Daarmee schendt het fonds zijn zorgplicht en is schadeplichtig.

Van verzekeraar naar pensioenfonds

X was, tot zijn vervroegd uittreden in 2004, deelnemer in de pensioenregeling van zijn werkgever. Het pensioen was ondergebracht bij Nationale Nederlanden (NN). In 2006 beëindigen NN en de werkgever de uitvoeringsovereenkomst en meldt de werkgever alle toenmalige werknemers aan als deelnemer in de pensioenregeling van het Pensioenfonds Metaal en Techniek (PMT). In 2009 verzoekt de werkgever NN om over te gaan tot een collectieve waardeoverdracht als bedoeld in artikel 83 Pensioenwet (PW) naar PMT. NN gaat hiermee akkoord en meldt de waardeoverdracht bij De Nederlandsche Bank (DNB). DNB verbiedt de voorgenomen waardeoverdracht niet.

PMT schreef in een brief van 13 januari 2009 aan X onder meer: “De overdracht van uw pensioenaanspraken en pensioenrechten van Nationale Nederlanden naar PMT heeft voor u geen financiële gevolgen. Er gelden wettelijke beschermingsregels waardoor al uw huidige pensioenaanspraken, dan wel lopende pensioenuitkeringen, zonder verlies van waarde moeten worden overgedragen aan PMT. Omdat Nationale Nederlanden de verplichte pensioenregeling van de bedrijfssector Metaal en Techniek volgde, sluit de pensioenregeling en daarmee de uitvoering op elkaar aan.”

In 2013 stempelde PMT als gevolg van een onvoldoende dekkingsgraad het pensioen af met 6,3%. In 2014 paste PMT nogmaals een korting toe. Ditmaal van 0,4%. X stelt PMT aansprakelijk voor de door hem geleden schade als gevolg van deze kortingen. Hij stelt dat PMT hem voorafgaande aan de waardeoverdracht in 2009 er op had moeten wijzen dat PMT gerechtigd was de pensioenaanspraken te korten, terwijl NN daartoe niet gerechtigd was. Als X dit had geweten, zou hij bezwaar hebben gemaakt tegen de waardeoverdracht.

In eerste instantie wees de kantonrechter de vordering van X af. Onder meer op de grond dat er geen rechtsregel is die PMT als ontvangende pensioen uitvoerder verplicht in het kader van een voorgenomen waardeoverdracht te wijzen op het bestaan van artikel 134 PW (het artikel op grond waarvan een pensioenfonds als laatste middel mag afstempelen).

X gaat in beroep

X gaat in beroep tegen de uitspraak van de kantonrechter. Hij voert drie grieven aan:

  1. Hij kan aan de brief van PMT van 13 januari 2009 het gerechtvaardigde vertrouwen ontlenen dat zijn pensioenaanspraak bij PMT “gegarandeerd” was en dus net zo min als bij NN zou kunnen worden gekort;
  2. PMT had hem een startbrief als bedoeld in artikel 21 PW moeten verstrekken waarin zij waarschuwde voor mogelijke kortingen; en
  3. PMT had hem, ook los van artikel 21 PW, moeten waarschuwen voor het uit artikel 134 PW voortvloeiende recht om pensioenaanspraken te korten.

Het hof wijst de eerste twee grieven af. Weliswaar stelt PMT in de brief van 13 januari 2019 dat de overdracht geen financiële gevolgen zal hebben en dat wettelijke beschermingsregels met zich brengen dat de overdracht van aanspraken zonder verlies van waarde moet plaatsvinden, maar de brief gaat over de financiële gevolgen ten tijde van de overdracht. X heeft volgens het hof uit deze brief niet redelijkerwijs mogen afleiden dat PMT zijn aanspraken op een later moment niet zou kunnen korten.

Volgens het hof hoefde PMT X geen startbrief te verschaffen. Hij was in januari 2006 geen deelnemer bij PMT en daarna ook niet. Na de overdracht van de tot 1 januari 2006 ten behoeve van X opgebouwde aanspraken vond geen verdere opbouw meer plaats bij PMT. De overdracht kan ten aanzien van X dus niet worden gelijkgesteld met het aanvangen van deelname aan de pensioenregeling. Daarom kan volgens het hof in het midden blijven of een startbrief de waarschuwing had moeten bevatten dat PMT onder omstandigheden zou kunnen korten als bedoeld in artikel 134 PW.

Derde grief treft wel doel; schending zorgplicht

De derde grief van X honoreert het hof wel. Het hof geeft daarbij aan dat een waardeoverdracht van pensioenaanspraken, daaronder begrepen een waardeoverdracht ingevolge artikel 83 PW, in potentie verstrekkende gevolgen heeft. Om die reden bevat artikel 83 PW een schriftelijke informatieverplichting. Deze heeft volgens het hof de strekking dat belanghebbenden zodanig over hun pensioensituatie worden geïnformeerd dat zij de afweging kunnen maken of zij al dan niet bezwaar willen maken tegen de overdracht van hun aanspraken. De opgebouwde aanspraken van ieder der belanghebbenden liggen immers in de waagschaal en geen rechtsregel verplicht hen om de waarde daarvan over te dragen, of mee te werken aan zodanige overdracht.

Omdat PMT deze informatieverplichting op zich heeft genomen, is volgens het hof op PMT de zorgplicht komen te rusten dat X ook volledig wordt geïnformeerd. Het hof acht in dit verband mede van belang dat uit de maatschappelijke functie van PMT voortvloeit dat zij een zorgplicht heeft die meebrengt dat zij in dit geval bij het aanbieden van haar diensten rekening moet houden met de belangen van degenen aan wie zij vraagt in te stemmen met de waardeoverdracht. Naar het oordeel van het hof heeft PMT deze zorgplicht niet naar behoren vervuld. Het hof volgt X in zijn stelling dat PMT hem in de gegeven omstandigheden had moeten informeren over de mogelijkheid van een toekomstige korting en de omstandigheden waaronder PMT deze korting zou kunnen toepassen. Met name omdat er op dit punt een wezenlijk verschil bestaat tussen de uitvoering van de pensioenregeling door PMT en de uitvoering door een verzekeraar als NN. De mogelijkheid van korting door PMT in januari 2009 is volgens het hof niet een zodanig verwaarloosbaar en theoretisch risico dat PMT dit niet in haar brief aan X had moeten noemen. Met het oog op de door X te maken afweging was het kortingsrisico (of zoals X het uitdrukte; ‘het verlies van garanties’) dus een belangrijk ingrediënt.

Het hof vindt deze conclusie te meer rechtvaardig omdat PMT in de brief van 13 januari 2009 uitsluitend argumenten heeft genoemd die erop neerkwamen dat er geen reden was om bezwaar te maken tegen de waardeoverdracht. Zoals dat de overdracht geen financiële gevogen voor X had en dat de pensioenaanspraken op dezelfde wijze zouden worden voortgezet. Aldus heeft PMT volgens het hof X onvoldoende geïnformeerd over het kortingsrisico dat hij liep bij de waardeoverdracht aan haar.

Het verweer van PMT dat de kortingsmogelijkheid begin 2009 een feit van algemene bekendheid was waartegen zij niet behoefde te waarschuwen, weerlegt het hof. Ook al kon iemand die het nieuws volgde destijds weten dat veel pensioenfondsen het moeilijk hadden en dat somige pensioenfondsen overgingen tot het korten van de pensioenen, volgt daaruit nog niet dat het een feit van algemene bekendheid was dat PMT wel een kortingsmogelijkheid had en NN niet.

Ook het verweer van PMT dat er geen causaal verband bestaat tussen de vermeende onrechtmatige daad en de vermeende schade vindt geen weerklank bij het hof. PMT lichtte niet toe welk voordeel X zou hebben bij het instemming met de waardeoverdracht aan PMT, tegenover het nadeel dat hij de kans liep dat zijn pensioen in de toekomst zou kunnen worden gekort. Dit had volgens het hof op de weg van PMT gelegen omdat uit de brief van 13 januari 2009 volgt dat de waardeoverdracht in de visie van PMT voor X geen financiële gevolgen had. Het hof begrijpt dit als geen negatieve, maar ook geen positieve gevolgen. Het hof is dan ook van oordeel dat het causal verband tussen de schending van de informatie en de door X geleden schade vaststaat.

Het hof vernietigt het vonnis van de kantonrechter en verklaart voor recht dat PMT niet heeft voldaan aan de op haar rustende verplichting om X te informeren over haar bevoegdheid om de pensioenaanspraken van X op grond van artikel 134 PW te korten. Op grond hiervan is PMT aansprakelijk voor de hierdoor door X geleden en nog te lijden schade. Het hof veroordeelt PMT om deze schade te vergoeden.

Commentaar

Een uitspraak die vergaande gevolgen kan hebben. Want er zijn vast meer mensen die in een vergelijkbare situatie als de heer X zitten. En wiens ogen door deze uitspraak wellicht worden geopend.

Een paar dingen valt op. Allereerst dat PMT als ontvangende pensioenuitvoerder de in artikel 83 PW genoemde schriftelijke informatie aan de (gewezen) deelnemers verzorgde. Artikel 83 geeft een pensioenuitvoerder de bevoegdheid tot collectieve waardeoverdracht op verzoek van een werkgever. Een van de voorwaarden daarbij is dat de deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners of de pensioengerechtigden geen bezwaren kenbaar hebben gemaakt jegens de pensioenuitvoerder tegen de waardeoverdracht nadat zij over het voornemen schriftelijk zijn geïnformeerd. Het is dus wel nadrukkelijk voorgeschreven aan wie de bezwaren kenbaar moeten worden gemaakt. “De pensioenuitvoerder” in dezen is de overdragende pensioenuitvoerder. Wie de schriftelijke informatie moet verzorgen, blijft in het midden. Zoals het hof ook aangeeft, gaat artikel 83 PW ervan uit dat de informatieverplichting rust op de werkgever en de overdragende pensioenuitvoerder en niet op de ontvangende pensioenuitvoerder. Het hof constateert dat PMT, door het sturen van de brief van 13 januari 2009, de uit artikel 83, lid 2 PW volgende taak om door schriftelijke informatie belanghebbenden zoals X, in de positie te brengen dat zij hun medewerking aan de waardeoverdracht van hun aanspraken kunnen beoordelen, volledig heeft overgenomen. X kreeg deze informatie niet (ook) van de werkgever of van NN. Hiermee bewees PMT de werkgever wellicht een goede, maar zichzelf – naar nu blijkt- een hele slechte dienst. Door de onverplichte overname van de informatievoorziening, trok PMT een zorgplicht naar zich toe waarop zij nu wordt afgerekend. Niet alleen de schade die de reeds doorgevoerde kortingen opleveren moet PMT vergoeden, maar ook de schade die nog ontstaat door eventuele toekomstige kortingen. En, zoals al gezegd, de kans dat de heer X navolgers krijgt, lijkt realistisch.

Ten tweede valt op dat DNB kennelijk geen reden zag om deze waardeoverdracht van een verzekeraar met een zekerheidsgraad van 99,5% naar een pensioenfonds met een zekerheidsgraad van 97,5% te verbieden. PMT voerde ook aan dat DNB geen verbod had opgelegd. Het hof acht dat niet relevant. DNB controleert immers niet of een brief als die van 13 januari 2009 de civielrechtelijke toets der kritiek kan doorstaan. Aan het achterwege blijven van kritiek van DNB op de brief, waarvan het hof veronderstellende wijs uitgaat, komt in dit geval volgens het hof dus geen relevante betekenis toe. Interessante vraag daarbij is of DNB met de kennis van nu in 2018 nog steeds een dergelijke waardeoverdracht zonder meer goedkeurt. Collectieve waardeoverdracht van een verzekeraar naar een pensioenfonds komt veelvuldig voor. Deelnemers, gewezen deelnemers, gewezen partners en gepensioneerden geven daarmee een deel van hun zekerheid op. Vraag is of iedereen zich dat voldoende beseft. De dekkingsgraad van het ontvangende pensioenfonds is daarbij een heel wezenlijk element. In januari 2009 was de dekkingsgraad van PMT 84%. Vraag daarbij is of de overdragende verzekeraar, in het geval dat hij de informatie aan de deelnemers verzorgt, moet wijzen op het risico van afstempeling dat de waardeoverdracht aan een pensioenfonds meebrengt. Of moet de werkgever dat doen? En moet DNB de brieven op dit punt beoordelen? Gezien het oordeel van het Gerechtshof Den Haag valt dit niet uit te sluiten.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 8 mei 2018.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 14 mei 2018.