Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Slotuitkering AOV belast als loon

11 augustus 2015

Een arbeidsongeschiktheidsverzekering keert na overlijden van de verzekerde nog gedurende drie maanden uit. Het gerechtshof boog zich over de vraag of deze slotuitkering belast is.

Wat was er aan de hand?

De heer X ontving een uitkering uit een arbeidsongeschiktheidsverzekering (AOV). Op 9 december 2012 overlijdt X. Conform de  polisvoorwaarden van de AOV betaalt de verzekeraar na het overlijden van X de uitkering nog drie maanden uit. Deze uitkering betaalde de verzekeraar aan mevrouw Y, de partner van X. 
De verzekeraar hield loonheffing in op de slotuitkeringen. Y maakt bezwaar tegen deze inhouding.

Gerechtshof Amsterdam

Is de slotuitkering van drie maanden belastbaar loon? De rechtbank vindt van niet. De rechtbank is van oordeel dat de voor drie maanden voortgezette uitkering moet worden aangemerkt als een eenmalige uitkering ter zake van overlijden. Deze uitkering is vrijgsteld. Artikel 11, eerste lid, onderdeel m, van de Wet LB 1964:  

“m. eenmalige uitkeringen en verstrekkingen ter zake van overlijden van de werknemer, zijn partner in het kalenderjaar of in het voorafgaande kalenderjaar (…), voor zover deze uitkeringen en verstrekkingen niet overtreffen driemaal het loon over een maand (…)”

Het gerechtshof beslist anders.  

“ Ter zake van het te beslissen geschilpunt overweegt het Hof dat beslissend is of de in december 2012 en januari 2013 uit hoofde van de arbeidsongeschiktheidsverzekering betaalde bedragen moeten worden aangemerkt 
(i) als onderdeel van een lopende reeks, in welk geval sprake is van een ‘doorlopende’ periodieke uitkering (hierna: p.u.) die ingevolge artikel 34 Wet LB 1964 jo. artikel 11, eerste lid, onderdeel a, ten tweede, van het Uitvoeringsbesluit loonbelasting 1965 (hierna: het Besluit) aan de loonbelasting is onderworpen, 
dan wel 
(ii) als een op zichzelf staande uitkering, in welk geval sprake is van een eenmalige uitkering ter zake van het overlijden van de partner welke niet aan de loonbelasting is onderworpen.” 

Het Hof leidt uit het polis van de AOV af dat X van de verzekeraar een recht op periodieke uitkeringen heeft bedongen. De drie maandelijkse termijnen die na zijn overlijden nog aan Y zijn uitgekeerd zijn onderdeel van de periodieke uitkering. De slotuitkering aan Y kan dus volgens het Hof niet als zelfstandige uitkering worden aangemerkt. Die slotuitkeringen zijn onderdeel van een bepaalde reeks van uitkeringen die is onderworpen aan de loonbelasting. Deze  ‘slotuitkeringen’ moeten dus  worden gekwalificeerd als (postuum) p.u.-inkomen van de X. De inhouding van loonheffing  heeft dus terecht plaatsgevonden. 

Commentaar

Y wees er in haar verweer nog op slotuitkeringen bij AOW, WAO en pensioen. Het opnemen van een dergelijke uitkering in een pensioenregeling maakt deze niet onzuiver. Zie het besluit van de staatssecretaris van Financiën van 9 september 2010, nr. DGB2010/2733M. Er blijft echter sprake van een eenmalige uitkering ter zake van overlijden als bedoeld in artikel 11, eerste lid, onderdeel m van de Wet LB 1964. Ook als de premie die daarvoor verschuldigd is niet apart is benoemd. Deze uitkeringen zijn dus niet belast. 

Maar volgens het Hof kan een privaatrechtelijke bedongen uitkering  niet worden gelijk gesteld aan een publiekrechtelijke uitkering of een pensioenuitkering en is in dit geval bovendien geen sprake van een eenmalige uitkering.  Het Hof verwierp dan ook betoog van Y .

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis
Bron: Gerechtshof Den Haag, 10 juni 2015

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 augustus 2015.