Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Sociaal plan met vrijwilligersregeling is geen RVU

25 maart 2015

Een werkgever heeft in haar sociaal plan een vrijwilligersregeling opgenomen. Hierdoor kunnen werknemers bij de reorganisatie kiezen om plaats te maken voor andere werknemers. Is in dat geval de ontslagvergoeding een regeling van vervroegde uittreding (RVU)? Met een extra belastingheffing van 52% voor de werkgever? 

Vrijwilligersregeling 

Werkgever X ging reorganiseren. Met betrekking tot deze reorganisatie kwam X met de vakbonden een sociaal plan overeen. In dit plan zijn boventallige werknemers aangewezen op basis van het afspiegelingsbeginsel. Een van de voorwaarden om een afvloeiingsregeling geen RVU te laten zijn, is dat deze is gebaseerd op dit afspiegelingsbeginsel. Dan is er immers geen sprake van de intentie bij de werkgever om ouderen met het oog op vervroegd uittreden te ontslaan. Het sociaal plan bevat echter ook een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling. Een werknemer kan hier alleen gebruik van maken als de werkgever hiermee instemt. De werknemers van wie de arbeidsplaats is vervallen of die gebruik mogen maken van de vrijwilligersregeling krijgen een ontslagvergoeding. 

De werkgever verzoekt de belastingdienst om een beschikking af te geven dat de ontslagvergoeding op basis van het sociaal plan niet wordt aangemerkt als een RVU. De inspecteur weigert om die beschikking af te geven. Hij vindt dat — door het opnemen van een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling in het sociaal plan — de ontslagvergoeding van oudere werknemers wel kan worden aangemerkt als RVU. Werkgever X gaat tegen deze uitspraak in beroep bij de Rechtbank.

Rechtbank 

De Rechtbank constateert dat een afvloeiingsregeling die gebaseerd is op het afspiegelingsbeginsel in beginsel geen RVU is. Vervolgens stelt de Rechtbank dat de inspecteur moet aantonen dat door het opnemen van een vrijwilligers- en een plaatsmakersregeling er wel sprake is van een RVU. Daarbij is van belang of de werkgever de intentie had om nagenoeg alleen oudere werknemers te laten afvloeien. Dat is hier kennelijk niet het geval. Werkgever X kan beslissen of een werknemer in aanmerking komt voor de vrijwilligersregeling. In dit geval kon werkgever X aantonen dat zij in totaal 80 van deze verzoeken heeft geweigerd, waarvan ongeveer 60 van werknemers ouder dan 55 jaar. Van de 230 werknemers die werden ontslagen waren er 105 jonger is dan 55 jaar. Op basis hiervan beslist de Rechtbank dat de regeling niet kwalificeert als een RVU.  

Commentaar 

Het verbaast ons dat deze casus heeft moeten leiden tot een gang naar de rechter. In 2013 werd het ministerie van Financiën al geconfronteerd met sociale plannen met vrijwillige vertrekregelingen. En werd in dat kader een beroep gedaan op de hardheidsclausule. De staatssecretaris publiceerde de voorwaarden waaraan moet zijn voldaan om een vrijwillige vertrekregeling niet aan te hoeven merken als RVU. En naar ons idee past deze casus daar naadloos in en had de belastingdienst in haar beschikking die voorwaarden kunnen opnemen en achteraf kunnen toetsen.

Uit dat besluit:

“Ik keur goed dat de beoordeling of is voldaan aan een objectief ontslagcriterium zoals het afspiegelingsbeginsel, mag plaatsvinden nadat het sociaal plan inclusief de voorafgaande vrijwillige afvloeiingsregeling is afgerond. Ik sta hierbij een doelmatigheidsmarge toe van 10%. Ik verbind aan deze goedkeuring de volgende twee voorwaarden.

  • De ontslagen op basis van het sociaal plan inclusief de vrijwillige vertrekregeling zijn uiterlijk afgerond in een periode van 36 maanden.
  • De werkgever legt vooraf een inschatting vast en maakt achteraf een verantwoording op over de naleving van de objectieve ontslagcriteria. Hij bewaart de inschatting en de verantwoording op controleerbare wijze bij zijn loonadministratie. Als bij de beoordeling achteraf blijkt dat meer ouderen zijn ontslagen dan mogelijk was binnen de grenzen van de objectieve ontslagcriteria en de doelmatigheidsmarge van 10%, dan is voor de gehele groep oudere werknemers sprake van een RVU, waarop de pseudo-eindheffing wordt toegepast.“

 

Overigens heeft VNO-NCW onlangs in een brief aan de Staatssecretaris gepleit voor zekerheid vooraf bij ontslagregelingen met een vrijwillige vertrekregeling. Dit lijkt ons lastig als de rechter achteraf toetst. Naar onze mening kan men de pijlen beter richten op afschaffing van de RVU-regeling. Door verhoging van de pensioenleeftijd, verlaging van het Witteveenkader, vervallen van de stamrechtvrijstelling  en de gewijzigde wetgeving omtrent ontslag (zoals bijvoorbeeld verlaging van de ontslagvergoeding) lijkt de RVU inmiddels achterhaald. 

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Rechtbank Zeeland-West Brabant, 19 februari 2015; Besluit 18 december 2013, nr BLKB2013/2200M

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 25 maart 2014