Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Sociaal plan wordt afgesloten op grond van het dan geldende recht en (dus) op basis van AOW-leeftijd t.t.v. afsluiten.

Sociaal plan wordt afgesloten op grond van het dan geldende recht en (dus) op basis van AOW-leeftijd t.t.v. afsluiten.

18 februari 2020

Een werkgever komt een sociaal plan overeen met de vakbeweging. Onderdeel is een AOW-aftoppingsregeling voor oudere werknemers. Zij krijgen volledig salarisbehoud tot aan de voor hen geldende AOW-datum. Dit is de AOW-datum bij het afsluiten van de beëindigingsovereenkomst en niet de als gevolg van latere wetswijzigingen latere AOW-datum.

Sociaal Plan

X B.V. maakt in 2014 bekend de productie binnen een van haar vestigingen per 1 september 2014 grotendeels te zullen staken. Ten behoeve van deze reorganisatie komt X met de vakbeweging een sociaal plan overeen voor boventallig verklaarde werknemers. 
Het sociaal plan voorziet in een beëindigingsvergoeding op basis van de kantonrechtersformule met een zogenoemde AOW-aftopping. Op basis daarvan ontvangt een oudere boventallige werknemer een beëindigingsvergoeding die – rekening houdend met de WW-uitkering - voorziet in een volledig salarisbehoud tot aan de voor hem geldende AOW-leeftijd.

Bij het berekenen van de hoogte van de vergoedingen is steeds gerekend met de op het moment van sluiten van de overeenkomst voor de werknemer geldende AOW-gerechtigde leeftijd en met het op dat moment voor de werknemer op basis van de Wet verhoging AOW- en pensioenrichtleeftijd van 12 juli 2012 te overbruggen aantal maanden tot deze leeftijd.
In het regeerakkoord Rutte II van 29 oktober 2012 is de intentie opgenomen om de AOW-leeftijd sneller te verhogen. In het proces rond het tot stand komen van de beëindigingsovereenkomsten werd de vraag gesteld; “wanneer de overheid besluit de AOW-leeftijd verder op te schuiven, verandert de regeling dan automatisch mee?” Het antwoord hierop luidde; “het sociaal plan wordt uitgevoerd conform de geldende wetgeving op het moment van de boventalligheidsverklaring”.

Nadat de arbeidsovereenkomst van een zestal werknemers was beëindigd, namen Tweede en Eerste Kamer het wetsvoorstel aan dat de AOW-leeftijd sneller verhoogde naar 67. Dit wetsvoorstel trad op 19 juni 2015 in werking. Dat betekende voor deze werknemers dat hun AOW-leeftijd met 1 tot 5 maanden omhoog ging. Op 1 januari 2020 wijzigde de AOW-leeftijd weer, waardoor voor twee werknemers sprake is van een maand hogere AOW-leeftijd en voor de overige vier de AOW-leeftijd gelijk bleef.

Deze zes werknemers zijn van mening dat bij de afgetopte beëindigingsvergoeding rekening gehouden moet worden met de in 2015 herziene AOW-leeftijd en voor twee van hen ook met de in 2019 nogmaals herziene AOW-leeftijd. Zij stappen naar de kantonrechter.

Kantonrechter wijst vordering af, hoger beroep bij Hof Den Bosch

De kantonrechter wijst de vordering van de zes af. Zij gaan vervolgens in hoger beroep bij het hof Den Bosch.

Het hof constateert dat partijen van mening verschillen over hoe de in de passage in het sociaal plan over de AOW-aftopping voorkomende begrippen ‘AOW-gerechtigde leeftijd’ en/of ‘de voor hem geldende AOW-leeftijd’ moeten worden uitgelegd.
Het hof merkt op dat er geen toelichting op het sociaal plan is. Er is echter geen reden om aan te nemen dat objectief gezien de woorden ‘AOW-gerechtigde leeftijd’ iets anders betekenen dan de woorden ‘de voor hem geldende AOW-leeftijd’. Het gaat volgens het hof om de leeftijd waarop de werknemer recht heeft op een AOW-uitkering. Uit deze bewoordingen, die in het sociaal plan niet nader zijn gedefinieerd, kan volgens het hof, gelezen in het licht van de gehele tekst van het sociaal plan, niet worden afgeleid dat is gedoeld op de leeftijd waarop de werknemers daadwerkelijk te zijner tijd een AOW-uitkering zullen ontvangen op basis van de dan geldende wetgeving. Anders zou dit namelijk het volgens het hof onaannemelijke gevolg met zich brengen dat de toegekende vergoedingen met elke wetswijziging opnieuw aangepast moeten worden tot aan het moment dat de werknemers een AOW-uitkering gaan ontvangen. Het hof concludeert dat niet in de tekst van het sociaal plan staat dat met een dergelijke onzekerheid rekening is gehouden en dat dit ook niet uit de overige tekst van het sociaal plan blijkt. Bovendien, zo stelt het hof,  worden in het algemeen obligatoire overeenkomsten gesloten op grond van het ten tijde van de overeenkomst geldende recht en duiden de bewoordingen van het sociaal plan erop dat is beoogd om aan te sluiten bij de wettelijke bepalingen die gelden op de datum dat de arbeidsovereenkomst is geëindigd. Het hof wijst de vordering van de werknemers op dit punt dan ook af en bekrachtigt het vonnis van de kantonrechter.

Commentaar

De diverse wijzigingen in de AOW-leeftijd zorgen voor veel jurisprudentie. Zie bijvoorbeeld onze berichten van 20 december 2019, 7 oktober 2019 en 22 augustus 2019. Daarbij is het cruciaal hoe een en ander is verwoord. Ook hier was dat niet glashelder en moest het hof een nadere duiding geven. Het uitgangspunt dat een overeenkomst wordt afgesloten op grond van het dan geldende recht, tenzij duidelijk iets anders is beoogd, lijkt ons alleszins redelijk en leidt tot afwijzing van de vordering van de werknemers.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Bosch, 28 januari 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:247

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 18 februari 2020.