Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Staatssecretaris Klijnsma publiceert Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel

13 juli 2016

Op 8 juli 2016 publiceerde staatssecretaris Klijnsma van SZW de Perspectiefnota Toekomst pensioenstelsel. Daarin vult het kabinet de hoofdlijnen verder in van het nieuwe pensioenstelsel, zoals het kabinet die vorig jaar aan de Kamer stuurde. Collectiviteit, solidariteit en verplichtstelling zijn de fundamenten waarop het stelsel is gebouwd en zijn ook voor de toekomst belangrijke uitgangspunten.
 

De agenda voor deze kabinetsperiode

Klijnsma geeft aan dat aanpassing van het pensioenstelsel een ingrijpende operatie is. En dat het belangrijk is de vaart erin te houden, zodat invoering van een nieuwe stelsel per 2020 mogelijk blijft. Het kabinet houdt bij deze vraagstukken de regie en zal gezamenlijk met het pensioenveld en sociale partners een aantal zaken na de zomer uitwerken, zoals:

  • Naar welke pensioenovereenkomst partijen eventueel willen overstappen en hoe deze eruit komt te zien.
  • De transitie bij het afschaffen van de doorsneesystematiek. Daarbij moet worden bezien wat dit betekent voor de verschillende pensioenfondsen en verzekeraars. Verder brengt men in kaart in hoeverre een evenwichtige transitie binnen een korte periode mogelijk is.
  • Het samen met DNB en AFM in beeld brengen welke gevolgen de verschillende pensioenovereenkomsten voor het toezicht zullen hebben.
  • Het, nadat er meer duidelijkheid is over de nadere invulling van de pensioenovereenkomsten, nader uitwerken van de juridische en fiscale kaders.

Uitgangspunten en hoofdlijnen van de nota

Uitgangspunt is dat de overheid een kader stellende en faciliterende rol heeft. Werkgevers, werknemers en overheid dragen gezamenlijk de verantwoordelijkheid voor het aanvullende pensioen. Het kabinet wil toe naar een stelsel waarin collectiviteit en solidariteit behouden blijven, maar dat beter aansluit bij de veranderende arbeidsmarkt. Een stelsel dat explicieter uitgaat van de risico’s die nu eenmaal onvermijdelijk horen bij pensioenopbouw. Hierdoor krijgen deelnemers en pensioengerechtigden meer realistische verwachtingen over hun pensioen. Het stelsel dat inclusiever is, maatwerk mogelijk maakt en ruimte biedt voor het maken van individuele keuzes. Om dat te bereiken werkte de staatssecretaris de vier hoofdlijnen uit de Hoofdlijnenbrief van 6 juli 2015 (zie ons bericht van 7 juli 2015) verder uit. Deze vier hoofdlijnen zijn:

  • Toereikend pensioen voor alle werkenden.
  • Afschaffen doorsneeproblematiek.
  • Nieuwe pensioenovereenkomst
  • Keuzevrijheid en maatwerk.

Toereikend pensioen voor alle werkenden

Het toekomstige stelsel moet alle werkenden in staat stellen een toereikend pensioen op te bouwen. Voor verbetering van de toereikendheid kan het voor flexwerkers, werknemers die geen aanvullend pensioen opbouwen via hun werkgever en zelfstandigen wenselijk zijn additionele pensioenbesparingen te stimuleren. Zij lopen binnen het huidige stelsel het risico onvoldoende pensioen te kunnen op te bouwen. Voor de verschillende groepen zijn uiteenlopende beleidsopties in kaart gebracht. Veel van deze beleidsopties vergen fundamentele keuzes over het pensioenstelsel. Daarbij is het van belang de proportionaliteit van de maatregelen in het oog te houden. Tegelijkertijd zijn er ook werkenden die, indien ook de vrije besparingen en de eigen woning in ogenschouw worden genomen, te veel sparen.

Afschaffen doorsneeproblematiek

Bij het afschaffen van de doorsneesystematiek en de overstap naar een stelsel van degressieve opbouw schat het kabinet  – mede op basis van CPB-berekeningen – in dat een evenwichtige overstap mogelijk is. De transitie zou binnen een periode van 25 jaar evenwichtig kunnen worden vormgegeven. Het kabinet onderzoekt een kortere transitieperiode. Tijdens deze transitieperiode kan een fiscaal overgangsrecht worden geboden. De overheid levert zo een financiële bijdrage aan de transitie. Een evenwichtige transitie vergt stuurmanskunst van pensioenuitvoerders. Zij moeten, binnen het wettelijk transitiekader, maatwerk leveren, om de transitie zo optimaal mogelijk vorm te geven. Alle pensioenuitvoerders moeten tegelijk overstappen op de nieuwe opbouwsystematiek

Nieuwe pensioenovereenkomst

In het Advies (zie ons bericht van 26 januari 2015) en de Verkenning beschrijft de SER (zie ons bericht van 23 mei 2016) zijn diverse pensioenovereenkomsten. Twee van de gewenste nieuwe contracten die uitgaan van persoonlijk pensioenvermogen worden al mogelijk gemaakt via de Wet verbeterde premieregeling (IV-A en IV-B). De invullingen van varianten die sterk leunen op subjectieve parameters zijn niet voldoende robuust en wijst het kabinet daarom af. Het gaat dan concreet om de variant I-B die werkt met een macrostabiele discontovoet en om variant IV-C waarin met een collectieve buffer gestuurd wordt op een doelvermogen.

Wel denkbaar zijn de varianten die uitgaan van persoonlijke pensioenvermogens waarbij met de collectieve buffer uitslagen in de rendementen worden gedempt (IVC-R) en de ambitieovereenkomst waarin de voorwaardelijke aanspraken worden gewaardeerd aan de hand van de risicovrije rente. Het kabinet onderzoekt deze contracten.

Het kabinet wil pensioenuitvoerders niet verplichten om over te stappen op een specifiek contract. De keuze voor een bepaald type contract is en blijft aan sociale partners. Wel wil het kabinet bezien hoe het onderbrengen van reeds bestaande rechten in een nieuw contract kan worden gefaciliteerd, om zodoende de overstap op een ander contract te stimuleren.

Keuzevrijheid en maatwerk

Bij keuzevrijheid en maatwerk brengt het kabinet diverse opties in beeld. Conclusie is dat de opties rondom minder premie-inleg en opname van een bedrag ineens interessant zijn en nader onderzocht moeten worden. Een tijdelijke premiestop lijkt met name voor jongeren meerwaarde op te leveren om de consumptie beter over de levensloop te spreiden. Opname van een bedrag ineens zou beperkt kunnen worden tot de werkende fase en een korte periode rond pensioeningang om strategisch gedrag van mensen met een lage levensverwachting te voorkomen. Om ervoor te zorgen dat er een adequate oudedagsvoorziening overblijft, is een maximering van het op te nemen bedrag gerechtvaardigd. Daarnaast is een maximering ook van belang ter vermijding van risicoselectie en negatieve effecten op de collectieve solidariteit. Een interessante mogelijkheid is ook om minder premie-inleg of een bedrag ineens te koppelen aan een bestedingsdoel dat ondersteunend is aan de

oudedagsvoorziening zoals de eigen woning. Hierdoor wordt het risico van deelnemers op een ontoereikend pensioen beperkt, maar nemen de uitvoeringskosten toe.

Commentaar

De Perspectiefnota is grotendeels beschrijvend. De staatssecretaris hakt nauwelijks knopen door, zij het dat enkele varianten als onvoldoende robuust en daarom niet gewenst zijn af geserveerd. In zoverre is er op dit moment nog niet zo veel commentaar te leveren anders dan, de ook door andere partijen geuite, constatering dat de richting goed is. Op twee punten willen we echter nog wat nader on gaan. Het historisch perspectief en de argumentatie om de doorsneepremie af te schaffen.

In historisch perspectief is de onderbouwing van de staatssecretaris van de vraag waarom fundamentele aanpassingen nodig zijn interessant. “Ontworpen in de jaren ’50 van de vorige eeuw past het stelsel goed bij werknemers die hun hele leven in loondienst blijven in dezelfde sector, misschien wel bij dezelfde werkgever” zo schrijft de staatssecretaris in de aanbiedingsbrief. En gaat ze verder; “maar de arbeidsmarkt van nu ziet er anders uit. Mensen veranderen vaker van baan of wisselen periodes van werknemerschap en ondernemerschap met elkaar af”. Ik citeer uit de memorie van antwoord bij de wijziging van de Pensioen- en spaarfondsenwet uit 1972; “zijn de bewindslieden niet van mening dat het, gezien de zeldzaamheid dat een werknemer 40 of 45 jaar bij een werkgever werkt en gezien ook het grote aantal werknemers dat één of meermalen van bedrijfstak verandert, beter is aan werknemers het recht te gevend de voor hen beheerde pensioengelden onder te brengen bij een andere beheerder?” De door de staatsecretaris gesignaleerde problematiek speelde dus 45 jaar geleden ook al!

Afschaffen van de doorsneepremie is naar onze mening een goede zaak. Daarover geen misverstand. Maar de argumentatie van de staatssecretaris gaat er nog steeds van uit dat de doorsneepremie door en niet voor de deelnemer wordt betaald.  Volgens de staatssecretaris is het van belang het systeem zo veel mogelijk te ontdoen van oneerlijke herverdeling. Het afschaffen van de doorsneesystematiek vermindert onwenselijk herverdeling; niet alleen van jongere naar oudere werknemers, maar ook van laag- naar hoogopgeleiden. “Deelnemers bouwen allemaal, ongeacht hun leeftijd jaarlijks evenveel pensioen op en betalen daarvoor evenveel premie” zo stelt de staatssecretaris op blz. 7 van de nota. “De doorsneesystematiek leidt zo tot herverdeling. De herverdeling vindt plaats van jong naar oud, maar ook bijvoorbeeld van laag- naar hoogopgeleiden. Hoogopgeleiden hebben vaak hogere loonstijgingen in het tweede deel van hun loopbaan dan laagopgeleiden; hun carrièrepad is steiler. Voor hen pakt het gunstig uit dat de doorsneesystematiek de pensioenopbouw in het tweede deel van de loopbaan subsidieert vergeleken met het eerste deel. Deze onbedoelde herverdeling is voor deelnemers niet transparant en moeilijk uitlegbaar”. De staatssecretaris trapt hier echter  - als zovelen voor haar -  in de valkuil door de opbouw van de aanspraken en de financiering daarvan door elkaar te halen. Ook in een tegen doorsneepremie gefinancierde middelloonregeling, bouwt een deelnemer jaarlijks een in de pensioenovereenkomst opgenomen percentage van zijn pensioengevend inkomen op aan ouderdomspensioen. De op te bouwen aanspraak is voor deelnemers met een zelfde salaris en verschillende leeftijd dus gelijk, net zoals dat het geval is bij een middelloonregeling op basis van actuariële premie. Bij doorsneepremie betalen alle werkgevers die hun regeling door hetzelfde pensioenfonds laten uitvoeren hetzelfde percentage van hun totale loonsom aan premie. De eigen bijdrage van deelnemers is veelal niet uitgedrukt in een percentage  van de premie, maar in een percentage van hun pensioengrondslag. In die situatie is er dus geen sprake van herverdeling tussen jongere en oudere deelnemers, maar van herverdeling tussen werkgevers met een relatief jong deelnemersbestand en werkgevers met een wat ouder bestand. De eerste werkgever subsidieert de laatste. De constatering dat werknemers die alleen in de eerste helft van hun loopbaan onder een pensioenregeling met doorsneepremie vallen over deze periode een 35% lagere pensioenopbouw hebben dan op basis van de ingelegde premies mogelijk zou zijn geweest, is ongetwijfeld juist, maar volstrekt irrelevant. Bij een uitkeringsovereenkomst gaat het om de opgebouwde aanspraken en die zijn in de eerste helft van de loopbaan precies hetzelfde als in de tweede. Namelijk het in de pensioenovereenkomst overeengekomen opbouwpercentage per dienstjaar. Voor de werknemers is de manier waarop die aanspraken gefinancierd worden helemaal niet interessant. Voor de werkgevers wel, maar dat is een ander verhaal. De werknemer heeft te maken met zijn jaarlijkse op te bouwen aanspraak en zijn eigen bijdrage in de kosten. En zo lang die zoals gebruikelijk is gebaseerd op een voor alle deelnemers zelfde percentage van de pensioengrondslag, is er geen sprake van herverdeling op deelnemersniveau.

 

 

Auteur:  Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 12 juli 2016.