Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Stakingslijfrente belast na overdracht aandelen

17 januari 2017

Geruime tijd na het bedingen van een stakingslijfrente (stamrecht) bij zijn eigen BV, verkoopt de belastingplichtige de aandelen van die BV. De lijfrente verplichting hevelt hij over naar zijn Persoonlijke Holding BV. De inspecteur belast deze overdracht.

Stamrecht

X is samen met Y vennoot in een vennootschap onder firma (vof). X en Y dragen in 1998 de onderneming van de vof over aan Werk BV. Voor de stakingswinst en de FOR bedingt X een stamrecht van Werk BV. Het stamrecht voorziet in een direct ingaande lijfrente-uitkering.

Beheer BV is houder van alle aandelen van Werk BV. De Persoonlijke Holding BV ’s van X en Y houden ieder 50% van de aandelen in Beheer BV. In 2010 verkoopt Beheer BV alle aandelen in Werk BV aan F- en G BV. De stamrechtverplichting draagt Werk BV in 2010 over aan de Persoonlijke holding BV van X (X BV) voor een bedrag van ongeveer € 131.000.

De inspecteur stelt vast dat door overdracht van aandelen en de lijfrenteverplichting het stamrecht van X niet meer aan de voorwaarden voldoet. Hij verhoogt daarom in 2010 het inkomen uit werk en woning van X met € 131.000. Ook brengt hij X hierover 20% revisierente in rekening.

X is het niet eens met de inspecteur. Hij maakt bezwaar tegen de fictieve afkoop. En stelt dat in het geval dat de afkoop wel terecht is, de lijfrente-uitkeringen na de overdracht belast worden op basis van de zogenaamde saldomethode.

Rechtbank

De Rechtbank geeft de inspecteur gelijk.

De Rechtbank vindt dat X BV niet voldoet aan de eis die de Wet IB stelt aan de uitvoerder van de lijfrente. Na de overdracht van de lijfrenteverplichting vormt deze geen tegenprestatie meer voor de overdracht van de zelfstandige onderneming van X. Deze voorwaarde heeft als doel misbruik te voorkomen. Daar kan volgens de Rechtbank niet zomaar van worden afgeweken. Dus ook niet in het geval dat de structuur na overdracht nagenoeg gelijk is – zoals X bepleit- en over de lijfrentetermijnen nog steeds belasting betaald moet worden.

Ook het Hof geeft de inspecteur gelijk. Dit doet ze op grond van de volgende overweging:
“Met de overdracht van de lijfrenteverplichting door Werk BV aan de onderscheiden persoonlijke houdstermaatschappijen van X (…) en de verkoop van de aandelen in Werk BV is de band tussen de lijfrenteverplichting en de overgedragen onderneming verbroken waardoor niet langer wordt voldaan aan de voorwaarden waaronder de lijfrentevrijstelling is genoten.“

Volgens het Hof is in 2010 sprake van een fiscale afkoop van de lijfrente. Op het tijdstip dat onmiddellijk voorafgaat aan de overdracht is de waarde in het economische verkeer van de lijfrente inkomen van X . X moet over deze waarde 20% revisierente betalen.

X stelde dat in het geval dat de afkoop wel terecht was, de saldomethode van toepassing is op de lijfrenteuitkeringen. Het Hof is het daarmee eens. Dit helpt X echter niet zo veelomdat het Hof uitgaat van de beperkte saldomethode. Dat houdt in, dat de saldomethode voor X geldt voor een beperkt bedrag van de afkoopwaarde, te weten € 2.269.

Commentaar

Voor de belaste stakingswinst en de FOR kan de ondernemer een stamrecht bedingen. Sinds 1992 is dit vormgegeven als een verhoogde aftrek van lijfrentepremies. Ondernemers kunnen dit stamrecht bedingen van een in Nederland gevestigde ondernemer of lichaam, mits dit gebeurt als tegenprestatie van de overgedragen onderneming. In de Wet is uitdrukkelijk opgenomen dat in het geval de verplichting overgaat op een ander lichaam er sprake kan zijn van belaste afkoop van het recht. Kennelijk had X bij de verkoop van de aandelen en de overdracht van de lijfrente deze bepaling over het hoofd gezien. Een goede adviseur had X hierop kunnen attenderen.

Het Hof veronderstelt dat door de afkoop een deel van de premies niet is afgetrokken. Deze niet afgetrokken premies zijn volgens het Hof voldaan op het moment van afkoop en niet op het moment dat het stamrecht ontstond. Dit heeft voor X tot gevolg dat voor hem de beperkte saldomethode geldt. Daardoor kan X op de lijfrente-uitkering slechts het bedrag van € 2.269 in mindering brengen. Deze beperkte saldomethode geldt met ingang van 1 januari 2010. Wanneer de Werk BV de stamrechtverplichting in 2009 had overgedragen aan de holding, dan had X de gehele afkoopwaarde als onbelast saldo op de lijfrente-uitkeringen in mindering kunnen brengen. Een zure uitkomst voor X.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 28 december 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 16 januari 2017.