Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Stamrecht waarderen met rekenrente 4%

18 oktober 2016

Ook de Hoge Raad vindt dat een BV een stamrecht op de fiscale balans moet waarderen tegen een rekenrente van 4%. Er is geen wettelijke grond om vrijval van een gedeelte van de commerciële waarde te voorkomen.

Meningsverschil over waardering stamrecht in eigen beheer

In 2009 bedong de heer Y van BV X een stamrecht. Het stamrecht bestond uit een uitgestelde periodieke uitkering die inging op 65-jarige leeftijd van Y en eindigde na het overlijden van Y en zijn echtgenote (uitgestelde zuivere lijfrente). De lijfrente-uitkering bedroeg € 15.963 per jaar.

BV X waardeerde eind 2009 het stamrecht op € 243.266. X ging daarbij uit van dezelfde rekenrente als die gehanteerd werd bij bepaling van de lijfrente-uitkering; een rekenrente van 3%. De inspecteur was het niet eens met deze berekening. Hij ging bij de waardering uit van een rekenrente van 4% en kwam uit op een waarde van € 210.999. Over het verschil legde de inspecteur een naheffingsaanslag op. De Rechtbank was het eens met de inspecteur.

Het Hof was het wel eens met de Rechtbank en de inspecteur over de waardering. Het Hof bepaalde aan de hand van jurisprudentie van de Hoge Raad dat de stamrechtverplichting van BV X moest worden aangemerkt als een “soortgelijke verplichting”. Daarom was BV X gehouden aan artikel 3.29 Wet IB 2001 en moest het stamrecht waarderen tegen een rekenrente van 4%. Maar volgens het Hof had ook bij het aangaan van de stamrechtverplichting uitgegaan moeten worden van een waarde van € 210.999. En bestaat er geen grond voor gedeeltelijke vrijval van de stamrechtverplichting in de periode tussen het aangaan van die verplichting en het einde van het onderhavige jaar. Met andere woorden: volgens het Hof hoefde Y niet af te rekenen over het verschil € 243.266 en € 210.999.

De staatssecretaris ging in cassatie tegen de uitspraak van het Gerechtshof.

Hoge Raad

De Hoge Raad is het niet eens met het Hof en vernietigt die uitspraak. Volgens de Hoge Raad berust het oordeel van het Hof op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de Hoge Raad kan door de waardering tegen 4% een deel van de commerciële waarde vrijvallen en moet die vrijval worden toegevoegd aan de fiscale winst. De Hoge Raad schrijft hierover:

“De in de Wet IB 2001 neergelegde systematiek inzake de jaarwinstbepaling staat niet eraan in de weg dat een gedeelte van een tegen de waarde in het economische verkeer aangegane pensioenverplichting of een soortgelijke verplichting verplicht ten gunste van de winst vrijvalt (vgl. HR 18 december 2015, nr. 14/06531, ECLI:NL:HR: 2015:3605, BNB 2016/50).”

De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van het Hof, en bevestigt de uitspraak van de Rechtbank.

Commentaar

Omdat BV X bij de waardering van de stamrechtverplichting niet mag uitgaan van de marktrente ontstaat in het jaar van aangaan van de stamrechtovereenkomst direct een verschil tussen de fiscale en de marktwaarde van het stamrecht. Dat verschil is fiscale winst voor de BV. Er is geen wettelijke bepaling waardoor deze vrijval voorkomen kan worden. In ons bericht van 22 december 2015 leest u meer over HR 18 december 2015.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad 14 oktober 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 17 oktober 2016.