Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Stamrecht waarderen met rekenrente 4%

28 juli 2015

Een stamrecht bestaat uit een recht op een periodieke uitkering. De waarde van het stamrecht is de contante waarde van de toekomstige uitkeringen. Op de fiscale balans moet de contante waarde actuarieel worden vastgesteld tegen een rekenrente van 4%.

Wat was er aan de hand?

In 2009 bedong de heer Y van BV X een stamrecht. Het stamrecht bestond uit een uitgestelde periodieke uitkering die inging op 65-jarige leeftijd van Y en eindigde na het overlijden van Y en zijn echtgenote (uitgestelde zuivere lijfrente). De  lijfrente-uitkering bedroeg € 15.963 per jaar.

BV X waardeerde eind 2009 het stamrecht op € 243.266. X ging daarbij uit van dezelfde rekenrente als die gehanteerd werd bij bepaling van de lijfrente-uitkering; een rekenrente van 3%. De inspecteur was het niet eens met deze berekening. Hij ging bij de waardering uit van een rekenrente van 4% en kwam uit op een waarde van € 210.999. Over het verschil legde de inspecteur een naheffingsaanslag op. 

Gerechtshof Den Haag

In geschil was of bij de waardering van de lijfrente rekening moest worden gehouden met een rekenrente van 3- of 4%. Het Hof was het eens met de inspecteur. Dit bleek volgens het Hof duidelijk uit de wettekst van artikel 3.29 Wet IB 2001. De tekst van dit artikel luidt:

“De waardering van pensioenverplichtingen en andere soortgelijke verplichtingen vindt plaats met inachtneming van algemeen aanvaarde actuariële grondslagen, waarbij een rekenrente in aanmerking wordt genomen van ten minste 4%.”

Het Hof bepaalde aan de hand van jurisprudentie van de Hoge Raad dat de stamrechtverplichting van BV X moest worden aangemerkt als een “soortgelijke verplichting”. Daarom moest BV X het stamrecht waarderen tegen een rekenrente van 4%.

Commentaar

Omdat BV X bij de waardering van de stamrechtverplichting niet mag uitgaan van de marktrente ontstaat in het jaar van aangaan van de stamrechtovereenkomst direct een verschil tussen de fiscale en de marktwaarde van het stamrecht. Dat verschil is fiscale winst voor de BV. BV X probeerde hier nog onderuit te komen door te stellen dat artikel 3.29 Wet IB 2001 niet van toepassing is omdat Y de uitkering op elk moment kan wijzigen. De rechter was het niet eens met de stelling van BV X. Die vindt dat BV X moet uitgaan van de huidige situatie.

Y en BV X hadden deze vrijval ten gunste van de fiscale winst kunnen voorkomen door in plaats van een zuivere uitgestelde lijfrente een gerichte lijfrente te bedingen. In dat geval staat de hoogte van de uitgestelde uitkering nog niet vast. Bij een gerichte lijfrente is de hoogte van de uitkering afhankelijk van het opgerente stamkapitaal. Oprenting kan plaatsvinden tegen de markrente. Zie ook Centraal Aanspreekpunt Pensioen; Vraag & Antwoord 14-001 d.d. 290114.

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 10 juni 2015

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 juli 2015.