Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Stamrechtuitkering in Nederland belast

25 maart 2019

Een werknemer gebruikt zijn ontslagvergoeding voor aankoop van een stamrecht. Hij verhuist naar Duitsland. Na zijn 65-jarige leeftijd keert de verzekeraar een lijfrente uit. Vraag is of de belastingheffing over deze lijfrente op grond van het Verdrag aan Nederland of aan Duitsland is toegewezen.

Ontslagstamrecht

Het dienstverband van B is op 1 september 2002 verbroken. Ter zake van zijn ontslag kent de werkgever aan B een ontslagvergoeding toe van € 75.000. Deze ontslagvergoeding wordt door de werkgever van B gestort als koopsom voor een stamrecht. Het stamrecht bevat een verzekering van een gerichte lijfrente die is gesloten bij DBV verzekeringen. De verzekering eindigt op 14 januari 2014. B wordt in dat jaar 65. In 2014 wordt de lijfrenteverzekering overgesloten naar Reaal Verzekeringen. Op 5 maart 2015 keert Reaal aan B een lijfrente uit van € 30.711 en houdt daarop € 11.627 aan loonbelasting in.

B woont vanaf 2009 in Duitsland.

B maakt bezwaar tegen de inhouding van de loonbelasting. Hij is van mening dat de periodieke uitkering moet worden aangemerkt als een pensioen of een andere uitkering als bedoeld in artikel 12 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belasting (Verdrag). De inspecteur stelt dat de uitkering van Reaal moet worden aangemerkt als inkomen uit arbeid als bedoeld in artikel 10 van het Verdrag.

Stamrecht belast in Nederland

De rechtbank stelt vast dat wanneer de periodieke uitkering moet worden aangemerkt als pensioen deze op grond van het Verdrag belast is in Duitsland. Als de periodieke uitkering inkomen uit arbeid is, wordt de belastingheffing echter toegewezen aan Nederland.

De rechtbank stelt dat op basis van jurisprudentie de ontslagvergoeding in het algemeen verband houdt met de uitoefening van de dienstbetrekking. Tenzij er op basis van specifieke bepalingen de ontslagvergoeding moet worden toegerekend aan een andere inkomenscategorie.

Van een pensioen als bedoeld in artikel 12 van het Verdrag is, volgens de rechtbank, slechts sprake: “indien de uitkering in overwegende mate erop is afgestemd en ertoe strekt (…) te voorzien in de behoefte aan levensonderhoud vanaf de datum van beëindiging van de dienstbetrekking tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel tot verbetering van onvoldoende pensioenrechten”.

Dit kan onder meer blijken uit de grondslagen op basis waarvan de uitkering is berekend, op welke leeftijd de uitkering wordt toegekend en of op dat tijdstip redelijkerwijs voorzienbaar is dat de gewezen werknemer een nieuwe werkkring zal aanvaarden.

Het is niet van belang op welke wijze B die vergoeding had willen besteden. De aard en strekking van de vergoeding wijzigt door een dergelijke subjectieve omstandigheid immers niet. De rechtbank moet dus naar objectieve maatstaven beoordelen of de ex-werkgever en B een vergoeding overeen zijn overeengekomen als aanvulling op het pensioen. Daarbij moet de rechtbank uitgaan van de maatstaven in het jaar 2002, het jaar waarin de ontslagvergoeding is overeengekomen.

De rechtbank stelt vast dat zowel in de beschikking van rechtbank Utrecht als de brief van de ex-werkgever van 25 juli 2002 geen verbinding is gelegd tussen de ontslagvergoeding en de behoefte aan levensonderhoud tot het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd dan wel verbetering van onvoldoende pensioenrechten. Ook is niet af te leiden naar welke grondslagen de uitkering is berekend. B heeft geen andere stukken overgelegd waaruit de grondslagen van de berekening zijn af te leiden.

Vanwege het ontbreken van specifieke gegevens en de leeftijd van B ten tijde van het ontslag, 53 jaar, acht de rechtbank dat de ontslagvergoeding in dit geval ziet op te derven inkomsten totdat een nieuwe dienstbetrekking kan worden gevonden.

Er zijn volgens de rechtbank geen aanknopingspunten dat de vergoeding van ruim een jaarsalaris, dient ter overbrugging van twaalf jaren tot de pensioendatum. Volgens de rechtbank heeft B onvoldoende feiten en omstandigheden gesteld waaruit volgt dat, rekening houdend met de relatief lange periode tot pensioendatum, de kansen en (on)mogelijkheden in de specifieke situatie van belanghebbende zodanig waren dat een nieuwe werkkring niet voorzienbaar was. De vergoeding ziet dus veel meer op te derven inkomsten tot de pensioendatum dan een aanvulling op het pensioen. Daarom kan het stamrecht worden aangemerkt als inkomen uit arbeid en is de uitkering in Nederland belast.

Commentaar

De stamrechtuitkering die gedaan wordt na de pensioendatum lijkt ogenschijnlijk op een pensioen of een andere uitkering of op geld waardeerbaar voordeel als bedoeld in artikel 12 van het Verdrag ter voorkoming van dubbele belastingheffing. Maar de rechtbank stelt dat dit genuanceerder ligt bij stamrechten die bedongen zijn voor een ontslagvergoeding. Een ontslagvergoeding houdt doorgaans verband met inkomen uit dienstbetrekking en is als zodanig aan te merken als inkomen uit arbeid. Slechts als de ontslaguitkering een vergoeding bevat wegens te derven pensioen kan volgens de rechtbank sprake zijn van pensioen als bedoeld in artikel 12 van het Verdrag. Deze redenatie moet volgens de rechtbank worden doorgetrokken naar het ontslagstamrecht. Niet van belang is of de ex-werknemer de ontslagvergoeding wil gebruiken voor de aanvulling op zijn pensioen maar het karakter van de ontslagvergoeding ten tijde van de toekenning (de datum van ontslag) is maatgevend.

In de meeste gevallen zal de ontslagvergoeding zijn gebaseerd op een vergoeding wegens te derven inkomsten uit arbeid. Dat houdt in dat doorgaans de uitkering uit de ontslagvergoeding ook kwalificeert als inkomen uit arbeid. En dat is belast in de werkstaat en niet in de woonstaat.

Overigens zal het belang van deze uitspraak afnemen want vanaf 2014 is de stamrechtvrijstelling afgeschaft. Het is dus alleen nog van belang voor op 31 december 2013 bestaande stamrechten die onder het overgangsrecht vallen.

Voor de goede orde, deze benadering geldt niet voor lijfrenten waarvan de premies zijn afgetrokken in verband met de compensatie van een pensioentekort. Deze lijfrente-uitkeringen vallen zonder meer onder de bepaling van artikel 12 van het Verdrag. Maar in sommige Verdragen wordt onder voorwaarden voor deze uitkeringen toch aan Nederland een (beperkt) heffingsrecht toegekend.

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Zeeland - West-Brabant, 9 november 2018

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 maart 2019.