Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Stamrechtuitkering niet volledig belast

12 september 2017

Een BV boekt de stamrechtuitkering bij op de vordering die de gerechtigde heeft op de BV. Omdat de BV deze vordering niet volledig kan aflossen vermindert het Gerechtshof het te belaste bedrag van de stamrechtuitkering.

Stamrecht

Een tandarts droeg in 1990 zijn praktijk over aan een door zijn twee zoons opgerichte BV. Ter zake van de belaste stakingswinst bedong hij een stamrecht van de BV. Het stamrecht voorziet in een lijfrente die wordt uitgekeerd zolang de tandarts of zijn echtgenote in leven is.

In 2000 overlijdt de tandarts. De lijfrente-uitkeringen, groot € 17.697 per jaar, zijn daarna grotendeels bijgeschreven op de vordering die de echtgenote had op de BV. De echtgenote gaf de stamrechtuitkeringen steeds aan als inkomen uit werk en woning (box 1).

Vanaf 2007 beschikte de BV niet meer over voldoende vermogen om de vordering van de echtgenote  af te lossen en daarnaast nog lijfrente-uitkeringen te doen. De echtgenote vraagt daarom ambtshalve vermindering van de aanslag IB/PHVV omdat dat na 2007 ten onrechte belasting was geheven over het nominale bedrag van de lijfrente-uitkering. Want de bedragen zijn door de BV niet betaald noch kunnen betaald worden.

De balans van de BV zag er in de relevante jaren als volgt uit:

 

31-12-2008

31-12-2009

31-12-2010

31-12-2011

Activa

       

Effecten

€ 91.188 

€ 35.800

€ 35.800

 

Vorderingen

€ 9

€ 605

€ 1.033

 

Bank

€ 2.440 

€ 58.252

€ 61.157

€ 101.978

Totaal

€ 93.638

€ 94.658

€ 97.991

€ 101.978

         

Passiva

       

Vermogen

€ -117.809

€ -114.131

€ -113.803

€ -112.430

Stamrecht

€ 95.179

€ 80.581

€ 65.755

€ 50.334

Schuld blh

€ 113.768

€ 125.836

€ 143.881

€ 162.865

Overig

€ 2.500

€ 2.372

€ 2.158

€ 1.210

Totaal

€ 93.638

€ 94.658

€ 97.991

€ 101.978

De inspecteur komt  niet tegemoet aan het verzoek om ambtshalve vermindering van de aanslagen over 2008 tot en met 2011. De echtgenote maakt bezwaar gemaakt tegen de weigering van ambtshalve vermindering over de jaren 2010 en 2011. De inspecteur verklaarde het bezwaar ongegrond.omdat volgens hem de lijfrente-uitkering is genoten.

Gerechtshof

De Gerechtshof stelt vast dat de echtgenote de lijfrente-uitkering van het stamrecht heeft genoten. De rechter wijst hierbij naar artikel 3.146, lid 1, van de Wet inkomstenbelasting 2001 (hierna: Wet IB 2001). Deze bepaling luidde in de jaren 2010 en 2011 als volgt:

“Loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, termijnen van  lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening, …………………….. worden – voor zover niet anders is bepaald – geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn:

a.  ontvangen;

b.  verrekend;

c.  ter beschikking gesteld;

d.  rentedragend geworden of

e.  vorderbaar en inbaar geworden.” .

De lijfrente-uitkeringen waren door de echtgenote zowel in het jaar 2010 als in het jaar 2011 vorderbaar en inbaar. De uitkeringen zijn bovendien rentedragend geworden. Aan dit oordeel doet niets af dat er 2010 en 2011 onvoldoende activa in de BV aanwezig waren om de verschuldigde stamrechtuitkering aan de echtgenote uit te betalen.

De echtgenote heeft de uitkering in 2010 en 2011 niet in geld genoten. De Wet IB 2001 bepaalt dat niet in geld genoten loon in aanmerking wordt genomen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. Het Gerechtshof volgt de Rechtbank bij de waardering van de lijfrente-uitkeringen.

De Rechtbank waardeerde de lijfrente-uitkeringen in relatie met de waarde van de vordering waarop ze werden bijgeschreven. Volgens de Rechtbank  bestaat de waarde van de vordering van de echtgenote  uit de activa verminderd met overige schulden en gedeeld door de boekwaarde van de vordering. De dekking van de vordering bedraagt  dan ultimo:

2010                                      €    95.833 / € 143.881  =  66,6%

2011                                      €  100.768 / € 162.865  = 61,8%

De Rechtbank stelt dat een onafhankelijke derde een bedrag zou betalen voor de vordering die overeenkomt met de dekking vermindert met een discount. De discount stelt de Rechtbank op 10%. Dit betekent dat het belastbare bedrag  in 2010 56,6%  bedraagt van de nominale lijfrente-uitkering en in 2011 51,8%  hiervan. 

Commentaar

Een opmerkelijke uitspraak van het Gerechtshof. De BV had in 2010 en 2011 voldoende middelen om de lijfrente aan de echtgenote uit te keren. De inspecteur ging er dan ook vanuit dat de lijfrente vorderbaar en inbaar was en belastte deze voor de nominale waarde in box 1. In dit geval besloot de echtgenote de uitkering niet te innen maar te laten bijschrijven op haar vordering op de BV. Vanwege deze keuze waardeerde het Gerechtshof de lijfrente af. Dat is bijzonder. Want de vordering behoorde tot haar box 3 vermogen. Een afwaardering van een dergelijke vordering leidt niet tot vermindering de belastingheffing. 

Opmerkelijk is ook dat bij de bepaling van de dekkingsgraad van de vordering de stamrechtverplichting buiten beeld bleef. Dit is immers ook een verplichting van de BV. In onze optiek is de dekkingsgraad van de vordering gelijk aan de waarde van de activa gedeeld door de schulden. In dat geval komt de dekkingsgraad in 2010 uit op 46,3%  (€ 97.991 / € 211.794) en in 2011 uit op 47,6%  (€ 101.978 / € 214.409).

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof 's-Hertogenbosch, 7 september 2017

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 12 september  2017.