Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Stamrechtuitkering waarderen op waarde in het economische verkeer

23 november 2016

Een BV boekt de stamrechtuitkering van een mevrouw bij op haar vordering. Omdat de BV niet genoeg middelen heeft om de vordering van de vrouw uit te keren moet volgens de rechtbank de stamrechtuitkering gewaardeerd worden op de waarde in het economische verkeer. ;

Wat was er aan de hand?

In 1990 brengt een tandarts zijn praktijk in, in een BV. Ter zake van de stakingswinst bedingt hij voor zichzelf en zijn echtgenote, mevrouw A, een stamrecht. Het stamrecht bevat een jaarlijkse uitkering van € 17.091. De tandarts overlijdt in 2000. De aandelen van de BV komen in handen van de kinderen van A. De BV heeft niet voldoende liquiditeiten om het stamrecht uit te keren aan A. Daarom schrijft de BV de stamrechtuitkering van A jaarlijks bij op de vordering die mevrouw heeft op de BV. A geeft de stamrechtuitkering steeds tegen nominale waarde aan in Box 1 en betaalt hierover inkomstenbelasting.

In 2014 vraagt A aan de inspecteur ambtshalve vermindering van de aanslagen Inkomstenbelasting 2010 en 2011. Volgens haar betaalde zij over de stamrechtuitkeringen ten onrechte inkomstenbelasting nu deze niet- of niet volledig vorderbaar en inbaar waren. De inspecteur wijst dit verzoek af.

Rechtbank 

De rechtbank stelt vast dat A de stamrechtuitkering in 2010 en 2011 niet heeft genoten in geld. Volgens de Wet IB (artikel 3.144) moet een belastingplichtige niet in geld genoten inkomen in aanmerking nemen naar de waarde die daaraan in het economische verkeer kan worden toegekend. Dat is, volgens de rechter, de prijs die een onafhankelijke derde voor het recht op deze stamrechtuitkering zou willen betalen. Voor de schuld aan A werden door de BV geen zekerheden gesteld. Er waren ook geen afspraken gemaakt over de volgorde van aflossen van de schulden van de BV. 

De rechtbank gaat aan de hand van de balanspositie van de BV in 2010 en 2011 na in hoeverre de schuld van de BV aan A gedekt was. In 2010 waren de middelen van de BV slechts 66% van de schulden. En in 2011 bedroeg dit percentage 62. A kon niet aantonen dat haar schuld achtergesteld was ten opzichten van andere schulden van de BV. Volgens de rechtbank zou een derde een dergelijke schuld overnemen met een discount van 10%. Dit betekent dat de stamrechtuitkering in 2010 maar voor 60% (= 90% van 66%) belast is in het inkomen van A en in 2011 maar voor 55% (= 90% van 62%). De inspecteur moet de teveel betaalde belasting aan A retourneren of verrekenen met andere aanslagen.

Commentaar

Het bijboeken van stamrecht- en pensioenuitkeringen op een vordering op de BV komt in de praktijk wel vaker voor. Ook komt het vaker voor dat een BV deze niet – of niet geheel - kan voldoen. Maar wij betwijfelen of een DGA in deze situatie zo goed wegkomt als mevrouw A. De Wet IB is duidelijk ten aanzien van de waarde van een niet in geld genoten uitkering. Deze kan de belastingplichtige bepalen op de waarde in het economische verkeer. Maar is bij het pensioen van de DGA in deze situatie niet sprake van het gedeeltelijk prijsgeven van een aanspraak? Immers hij besliste dat de BV het pensioen niet in geld uitkeert maar bijschrijft op de onvolwaardige vordering. Overigens zal dit probleem zich bij pensioen eigen beheer in de toekomst minder vaak voordoen door het wetsvoorstel uitfasering pensioen in eigen beheer. Maar dit wetsvoorstel geldt niet voor stamrechten in eigen beheer. 

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 29 juni 2016
Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 22 november  2016.