Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Stichting Pensioenbehoud daagt de Staat voor de rechter over buffers bij pensioenfondsen

Stichting Pensioenbehoud daagt de Staat voor de rechter over buffers bij pensioenfondsen

21 februari 2021

Het is terecht dat pensioenfondsen buffers moeten aanhouden. Nederland vertaalde de IORP-richtlijn juist in de Nederlandse Pensioenwet.

Buffers voor risico’s; Stichting Pensioenbehoud daagt de Staat voor de rechter

Pensioenfondsen moeten extra buffers aanhouden als zij beleggingsrisico’s of zogenoemde biometrische risico’s verzekeren. Er wordt beleggingsrisico verzekerd als de hoogte van de uitkering wordt gegarandeerd. Dat laatste is het geval bij een uitkeringsovereenkomst, meestal middelloonregelingen. Biometrische risico’s zijn het risico van de levensverwachting (het “lang leven risico” bij ouderdomspensioen) en risico’s in verband met overlijden en/of arbeidsongeschiktheid (het nabestaanden- en het arbeidsongeschiktheidspensioen). Bij premieovereenkomsten worden geen beleggingsrisico’s maar – als er overlijdens- en arbeidsongeschiktheidsdekking is - wel biometrische risico’s verzekerd.

De verplichting tot het aanhouden van deze buffers vloeit voort uit de Europese pensioenfondsrichtlijn, IORP genoemd en is door de wetgever vertaald in de artikelen 131 en 132 van de Pensioenwet. In die artikelen is bepaald dat het pensioenfonds moet beschikken over een (minimaal) vereist eigen vermogen.

Vertaling IORP-richtlijn wel juist?

De Stichting Pensioenbehoud daagde de Staat der Nederlanden voor de rechter. Inzet van de procedure is de vraag of de manier waarop die vertaling van de pensioenfondsenrichtlijn heeft plaatsgevonden wel juist en juridisch houdbaar is.

Volgens de stichting is dat niet het geval omdat alle risico’s als puntje bij paaltje komt, uiteindelijk niet door het pensioenfonds maar door de deelnemers zélf gedragen worden. Immers, als de dekkingsgraad te lang onder het vereiste niveau blijft, wordt de kortingsmaatregel toegepast. En dat zou betekenen dat er ten onrechte buffers zijn aangehouden door de pensioenfondsen en dat als gevolg daarvan er ten onrechte lange tijd geen toeslagen zijn toegekend en kortingen zijn toegepast. Om dat laatste is het de stichting natuurlijk te doen.

De beoordeling

De stichting wordt in het ongelijk gesteld. Volgens de rechtbank betekent de eis zoals gesteld in artikel 15 van de IORP-richtlijn niet dat het pensioenfonds zélf het risico zou moeten dragen. In de richtlijn staat: “…IBPV’s [Instellingen voor bedrijfspensioenvoorzieningen, waaronder ook de Nederlandse pensioenfondsen vallen, red ] die pensioenregelingen uitvoeren en zelf, en niet de bijdragende ondernemingen, een dekking tegen biometrische risico’s verzekeren of een beleggingsrendement of een bepaalde hoogte van uitkeringen garanderen, permanent bij wijze van buffer aanvullende activa aanhouden naast de technische voorzieningen. De omvang is afgestemd op het soort en de aard van…” Het gaat erom dat het pensioenfonds dit soort risico’s verzekert. Verder stelt de rechtbank dat er in Nederland geen enkel pensioenfonds bestaat waarbij niet het risico van levensverwachting is verzekerd (premieovereenkomsten met een variabele uitkering) die óók geen andere pensioenen aanbiedt waarbij risico’s in verband met overlijden en arbeidsongeschiktheid is verzekerd.

Commentaar

De stichting stelt dat het er niet om gaat wie juridisch gezien het risico draagt, maar waar dat risico feitelijk wordt neergelegd. Volgens de stichting is er in Nederland geen enkel pensioenfonds dat feitelijk zelf de risico’s draagt. Als er te weinig vermogen is worden de pensioenen van deelnemers en pensioengerechtigden immers gekort. Uiteindelijk dragen zij dus feitelijk het risico en niet het pensioenfonds. De rechtbank leest artikel 15 echter zo dat het erom gaat of een pensioenfonds deze risico’s wel of niet verzekert. Waar dat risico feitelijk neerslaat is niet van belang. Bovendien, zo stelt de rechter is het niet per definitie zo dat er wél geïndexeerd zou zijn als de artikelen 131 en 132 niet zouden gelden. Dat lijkt een waarheid als een koe, omdat voor toeslagverlening het financieel toetsingskader voor pensioenfondsen en de voorwaarden van artikel 137 gelden, waaronder een minimale beleidsdekkingsgraad van 110%.

De hoogte van het minimaal vereist eigen vermogen is mede afhankelijk van de vraag wie het beleggingsrisico draagt. Het minimaal vereist eigen vermogen is lager wanneer de deelnemers het beleggingsrisico dragen en niet het pensioenfonds. Dit is het geval in een premieovereenkomst, en daarmee ook in het nieuwe contract en de verbeterde premieregeling. Voor de berekening van de hoogte van het minimaal vereist eigen vermogen, dat te allen tijde aanwezig dient te zijn, moet in dat geval worden uitgegaan van 1% van de technische voorzieningen, dan wel 25% van de beheerslasten indien deze beheerslasten vijf jaar of minder vastliggen. Hier bovenop komen nog opslagen voor pensioenregelingen met nabestaandenpensioen, arbeidsongeschiktheidspensioen of premievrijstelling bij arbeidsongeschiktheid. Ook in het nieuwe pensioenstelsel zal er door pensioenfondsen dus een minimaal vereist eigen vermogen aangehouden moeten worden.

Auteur: Hans Breuker, senior pensioenjurist Expertisecentrum TKP Pensioen

Bron: Rechtbank Den Haag, 10 februari 2021, ECLI:NL:RBDHA:2021:944

Dit bericht is aangepast naar de stand van zaken op 19 februari 2021