Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Streefregeling: compensatie te hoge rekenrente

Streefregeling: compensatie te hoge rekenrente

11 november 2019

X bouwde bij zijn werkgever een pensioen op volgens een streefregeling. De pensioenregeling werd in 2004 aangepast. De verzekeraar wees de werkgever erop dat door te rekenen met een te hoge rekenrente het streefpensioen niet behaald zou worden. De werkgever doet hier niets mee.

Werkgever past rekenrente streefregeling niet aan

X werkte van 1 september 1977 tot 1 juni 2016 bij werkgever W in loondienst. W zegde X in 1981 pensioen toe in de vorm van een streefregeling. De streefregeling is verzekerd bij NN. Bij de streefregeling wordt het pensioen bepaald op basis van salarisdiensttijd regeling; in dit geval eindloon. Het aldus beoogde pensioen wordt verzekerd op basis van een pensioenkapitaal. De pensioenaanspraak bestaat dan uit het pensioen dat op de pensioendatum kan worden aangekocht voor het pensioenkapitaal. Essentieel voor de omvang van het pensioenkapitaal is de rekenrente waarmee partijen het streefpensioen omrekenen naar een verzekerd pensioenkapitaal.

Als gevolg van een aantal wetswijzigingen, moest de pensioenregeling van X uiterlijk per 1 juni 2004 worden aangepast aan onder meer de nieuwe fiscale wetgeving (de “Witteveen”-wetgeving). NN informeerde W daarover op 7 mei 2004 met een brief en deelde W mee dat de pensioenregeling aan de hand van een in te vullen checklist moest worden aangepast. W heeft de checklist, ook na diverse rappels van NN, niet ingevuld en/of geretourneerd. Evenmin heeft W hierover contact opgenomen met X. NN paste de pensioenregeling aan op basis van de bij haar bekende gegevens. De laatst bekende rekenrente voor bepaling van het verzekerde kapitaal ter grootte van 5,5% wordt voor het vervolg een vaste rekenrente.

W stuurde X op 8 maart 2007 de nieuwe pensioenbrief (hierna: Pensioenbrief 2004). Daarin staat onder meer:

Artikel 2; Pensioenaanspraken

  1. Aan u wordt een winstdelende kapitaalverzekering toegezegd. De grootte van de te verzekeren bedragen van deze verzekering wordt vastgesteld aan de hand van de beoogde pensioenen. (…)

 

Artikel 4; Grootte van het beoogde ouderdomspensioen

  1. Het beoogde jaarlijkse ouderdomspensioen is gelijk aan 1,75 % van de laatstelijk vastgestelde pensioengrondslag vermenigvuldigd met uw aantal pensioenjaren. (…)

 

Artikel 12; Uitvoering

(…)

  1. Bij de berekening van de grootte van de kapitaalverzekering is uitgegaan van een prognose van de op de uitkeringsdatum geldende koopsomtarieven voor dadelijk ingaande pensioenen.

Het bij deze berekening gehanteerde rentepercentage bedraagt 5,5%. Dit percentage zal eveneens worden gehanteerd in het geval de verzekering wordt aangepast aan het salaris en zal tijdens de duur van deze verzekering niet worden gewijzigd.

(…)

In december 2009 attendeert NN W per brief er op dat de rekenrente van 5,5% hoger is dan de actuele marktrente, dat daardoor een aanzienlijke kans bestaat dat voor de werknemer(s) van W te weinig kapitaal is verzekerd om het beoogde ouderdoms- en/of partnerpensioen aan te kunnen kopen bij overlijden of bij pensionering van de werknemer(s). NN geeft W aan dat zij dit risico kan beperken door de  rekenrente aan te passen. . NN zal dan voortaan het pensioenkapitaal aanpassen aan de actuele marktrente met dien verstande dat de rekenrente niet lager mag zijn dan het fiscale minimum van 4,4%.

W reageert ook op deze brief niet. En ook nu stelt W X niet op de hoogte van de inhoud van de brief. Op 18 juni 2015 stuurt NN op verzoek van X zijn pensioenreglement waarin onder meer staat:

Bij de vaststelling van het te verzekeren kapitaal gaat NN op verzoek van de werkgever uit van een rentepercentage van 5,5%.

Op de pensioeningangsdatum is het pensioen dat X kan aankopen voor het pensioenkapitaal fors lager dan het volgens de pensioenregeling  beoogde pensioen. Volgens X is W jegens hem tekort geschoten in haar verplichtingen die voortvloeien uit de pensioentoezegging. Hierdoor is het bij NN opgebouwde kapitaal veel te laag voor de aankoop van het beoogde  pensioen.

Nadelige wijziging vereist welbewuste ondubbelzinnige instemming

W is het niet eens met X. Volgens W heeft X stilzwijgend ingestemd met de gewijzigde pensioenbrief uit 2004. Het hof gaat niet mee in de redenering van W. Volgens het hof kan X niet geacht worden stilzwijgend akkoord te zijn gegaan met die pensioenbrief uit 2004 en de daarin vermelde vaste rente van 5,5%. Wanneer er nadelige wijzigingen zijn aangebracht in een pensioenovereenkomst, dan mag W er alleen op vertrouwen dat X hiermee heeft ingestemd als aan hem duidelijkheid is verschaft over de inhoud van die wijziging(en) en op basis van verklaringen of gedragingen van X een welbewuste en ondubbelzinnige instemming met die wijziging(en) mag worden aangenomen. Het hof refereert hierbij aan een arrest van de Hoge Raad van 12 februari 2010. Van welbewuste ne ondubbelzinnige instemming is geen sprake. Het hof gaat daarom voor de inhoud van de pensioenovereenkomst uit van de pensioenbrief 1981.

De schade moeten partijen onderling met elkaar afstemmen waarbij rekening wordt gehouden met een minimale rekenrente die NN hanteerde.

Werkgever schiet te kort in haar verplichting

Die pensioenbrief moet volgens het hof worden gekwalificeerd als ‘een kapitaalverzekering (…) waarbij bij de vaststelling van de hoogte van het te verzekeren kapitaal er naar wordt gestreefd dat met het verzekerde kapitaal in de toekomst (onder meer) een ouderdomspensioen kan worden aangekocht op basis van het eindloon.’

Een redelijke uitleg van de pensioenovereenkomst 1981 brengt volgens het hof mee dat W tijdens het dienstverband van X in beginsel steeds gehouden was om de pensioenpremies af te dragen aan NN die in overeenstemming waren met een op dat moment reële rekenrente en het bijbehorende doelvermogen dat nodig zou zijn om op pensioendatum het in de pensioenovereenkomst 1981 aan X toegezegde ouderdomspensioen en partnerpensioen te kunnen aankopen. De aard van deze verplichting brengt voor W onder meer mee dat zij de in 2004 door NN toegezonden checklist had moeten invullen, bij voorkeur na overleg met X. Dit heeft W echter niet gedaan, waarna NN bij de verdere uitvoering van de pensioenregeling is uitgegaan van een vaste rekenrente van 5,5%. Die keuze moet aan W worden toegerekend, aldus het hof.

Volgens het hof bevat de brief van NN aan W uit december 2009 een duidelijke waarschuwing van NN dat de in de pensioenregeling gehanteerde rekenrente niet (meer) in de pas loopt met de actuele rente en dat de kans dat het verzekerde kapitaal onvoldoende zal zijn om het voor X beoogde pensioen aan te kunnen kopen heel erg groot is. Daarbij komt dat NN aan W de mogelijkheid bood om de pensioenregeling op dit punt aan te passen. Volgens het hof heeft W ten onrechte niet op deze waarschuwing van NN gereageerd en heeft W X niet op de hoogte gesteld van deze brief.

W had volgens het hof gebruik moeten maken van de mogelijkheid die NN haar had gegeven om de pensioenregeling aan te passen om aan haar verplichtingen jegens X te voldoen, waaronder de verplichting tot betaling van voldoende premie. Door deze aanpassing niet te doen is W jegens X tekort geschoten in haar verplichtingen uit de pensioenovereenkomst 1981, en is zij aansprakelijk voor de door X als gevolg van deze tekortkoming geleden schade. Deze schade moeten partijen onderling met elkaar afstemmen waarbij rekening wordt gehouden met een minimale rekenrente van 4,4%

Commentaar

Dit is de tweede zaak in 2019 over een streefregeling, waarbij voor het vaststellen van het te verzekeren kapitaal uit is gegaan van een rentevoet die fors hoger ligt dan de actuele rente met een tegenvallend resultaat als gevolg. Over de eerdere uitspraak van de rechtbank Midden Nederland schreven wij in ons nieuwsbericht van 31 januari 2019.

Beide uitspraken maken (nogmaals) duidelijk dat het wijzigen van een pensioenovereenkomst nauw luistert. De werkgever kan er alleen op vertrouwen dat de werknemer heeft ingestemd als

  • aan hem duidelijkheid is verschaft over de inhoud van die wijzigingen en
  • op basis van verklaringen of gedragingen van de pensioengerechtigde een welbewuste en ondubbelzinnige instemming met die wijziging mag worden aangenomen.

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Den Haag, 24 oktober 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 8 november 2019