Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Streefregeling garandeert alleen een verzekerd kapitaal met een vaste premie en is (dus) geen eindloonregeling

Streefregeling garandeert alleen een verzekerd kapitaal met een vaste premie en is (dus) geen eindloonregeling

9 maart 2021

Rekenrente van 7% was voor een 1991 afgesloten streefregeling prudent. Op dat moment was niet te voorzien dat de rekenrente een dusdanig sterke daling zou laten zien dat daardoor op pensioendatum veel lagere pensioenuitkeringen zouden kunnen worden ingekocht. Dat dit achteraf anders en bijzonder nadelig uitpakt, is ontzettend vervelend, maar maakt niet dat er om die reden van uit moet worden gegaan dat er een eindloonregeling is toegezegd.

Kantonrechter: streefregeling valt onder tijdsevenredig opbouw en financiering zoals bedoeld in artikel 7a PSW

X, geboren in 1956, treedt in 1991 in dienst van Y BV. Y BV doet hem in maart 1991 een voorstel voor een pensioenvoorziening in de vorm van een offerte van een pensioenverzekeraar. In de offerte staat als pensioengrondslag het jaarsalaris verminderd met de AOW-franchise en een opbouwpercentage per dienstjaar van 1,75. Als verzekeringsconstructie vermeldt de offerte “volledige verzekering van de pensioenen” en “C-polis conform artikel 2, lid 4 sub C van de PSW”. Verder noemt de offerte een bedrag in guldens aan ‘beoogd jaarlijks ouderdomspensioen’. In augustus 1991 verstrekt de pensioenverzekeraar aan X een polis. Daarin staat onder meer dat het pensioenplan een kapitaal omvat, dat betaalbaar is op 1 oktober 2021. Verder vermeldt de polis; “Voor dit pensioenplan gelden de bijgevoegde verzekeringsvoorwaarden (…) De in de vervolgpolis vermelde pensioenen kunnen worden gerealiseerd met de kapitalen als vermeld in de vervolgpolis, met dien verstande dat: 1. Op het tijdstip van aankoop van de pensioenen de tarieven voor lijfrentekoopsommen, die werden gebruikt voor de vaststelling van de kapitalen ongewijzigd van kracht zijn.”

In september 1991 sluiten X en Y BV een pensioenovereenkomst. Daarin staat onder andere dat als X tot aan de pensioendatum in dienst blijft, hij recht heeft op een levenslang ouderdomspensioen ter grootte van 1,75% van de pensioengrondslag voor elk dienstjaar. Ook zegt deze overeenkomst dat ter dekking van de pensioenen de werkgever (Y BV) de werknemer (X) in staat heeft gesteld bij de verzekeraar verzekeringsovereenkomsten, als bedoeld in artikel 2, lid 4, onder c van de Pensioen- en spaarfondsenwet te sluiten. Tenslotte bevat de overeenkomst een bepaling op grond waarvan de werkgever door de werknemer in staat te stellen deze verzekeringen te sluiten, volledig is gekweten jegens de werknemer of zijn erfgenamen.

X raakte arbeidsongeschikt en de verzekeraar verleende de daaruit voortvloeiende premievrijstelling op basis van de overeengekomen vaste premie. X vraagt de kantonrechter voor recht te verklaren dat bij de pensioenregeling zoals die met ingang van 1 april 1991 gold, de verzekeraar met ingang van 1 januari 2000 het verzekerde kapitaal jaarlijks moet herberekenen op basis van onder meer de in het betreffende jaar actuele tarieven. Op 1 januari 2000 trad namelijk artikel 7a PSW in werking dat tijdsevenredig opbouw en financiering van pensioenaanspraken voorschreef. De kantonrechter wijst de vordering toe.

Hof: streefregeling is geen eindloonregeling

De verzekeraar tekent hoger beroep aan bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Het hof beoordeelt de vraag welke pensioenaanspraken in 1991 aan X zijn toegekend aan de hand van de verzekeringsovereenkomst en de daarvan deel uitmakende polisvoorwaarden. Ook betrekt het hof de na de totstandkoming van de verzekeringsovereenkomst ondertekende pensioenovereenkomst bij deze beoordeling. Uit de stukken valt namelijk af te leiden dat deze op elkaar zijn afgestemd en alle zijn aangeleverd door de verzekeraar. Het hof beoordeelt al deze stukken dan ook in onderlinge samenhang.
Daarbij komt het volgens het hof niet alleen aan op een taalkundige uitleg van de bewoordingen van deze stukken, maar ook op de bedoeling die partijen hadden toen zij de verzekeringsovereenkomst sloten en op hetgeen zij onder de omstandigheden redelijkerwijs van elkaar konden en mochten verwachten (Haviltex). Bij de waardering daarvan betrekt het hof de maatstaven van redelijkheid en billijkheid. Partijen spraken of onderhandelden niet inhoudelijk met elkaar over de verzekeringsovereenkomst en de daarbij behorende voorwaarden. De tekst van de pensioenovereenkomst was gebaseerd op een standaardmodel van de verzekeraar. Daarom is de uitleg van de verzekeringsovereenkomst en polisvoorwaarden volgens het hof met name afhankelijk van objectieve factoren zoals de bewoordingen van de bepalingen, gelezen in het licht van deze overeenkomsten als geheel en van de (eventueel) daarbij behorende toelichting.

Het hof beaamt dat het bepaalde in de pensioenovereenkomst erop lijkt te duiden dat aan X een eindloonregeling is toegezegd, met vaste, gegarandeerde pensioenuitkeringen ter hoogte van 1,75% per dienstjaar. Deze bepaling kan volgens het hof echter niet los worden gezien van de offerte die leidde tot de verzekeringsovereenkomst en van de polisvoorwaarden waarnaar de pensioenovereenkomst verwijst. De offerte en de pensioenovereenkomst vermeldden weliswaar het percentage van 1,75 per dienstjaar, maar daaronder staat dat het gaat om een C-polis, terwijl het bij de pensioenbedragen gaat om beoogde jaarlijkse pensioenen. Het hof geeft aan dat de polis dit tot uitdrukking brengt door middel van het voorbehoud dat de in de vervolgpolis vermelde pensioenen kunnen worden gerealiseerd met de kapitalen als vermeld in de vervolgpolis, indien de tarieven voor lijfrentekoopsommen die werden gebruikt voor de vaststelling van de kapitalen ongewijzigd van kracht zijn. De verzekeraar baseert deze tarieven op onder meer de rekenrente en de levensverwachting die in 1991 tot uitgangspunt werd genomen voor de berekening van het kapitaal dat nodig zou zijn om daarvan op de pensioendatum de benodigde pensioenuitkeringen te kunnen inkopen.
Het hof kwalificeert deze pensioenaanspraak als een salaris/diensttijdregeling in de vorm van een onder de destijds geldende wetgeving gangbare streefregeling. Deze pensioentoezegging is in de C-polis verzekerd door middel van een kapitaalverzekering met een pensioenclausule. Door het voorbehoud van de gelijkblijvende rekenrente en levensverwachting, zullen er volgens het hof echter veel lagere pensioenuitkeringen kunnen worden gedaan bij een pensioenaanspraak die is gebaseerd op een streefregeling als de rekenrente op de pensioeningangsdatum is gedaald. In zoverre verschilt deze pensioenaanspraak volgens het hof wezenlijk van die van een eindloonregeling, waarbij de hoogte van de pensioenuitkeringen is gegarandeerd.
Het hof stelt vast dat de rekenrente van 7%, waarvan voor de berekening van het op de pensioendatum benodigde kapitaal is uitgegaan, in 1991 een prudente rente was. Het was in 1991 zeker niet te voorzien dat de rekenrente een dusdanig sterke daling zou laten zien, dat daardoor op de pensioendatum veel lagere pensioenuitkeringen voor X zouden kunnen worden ingekocht. Dat dit achteraf anders en bijzonder nadelig voor X uitpakt, is volgens het hof ontzettend vervelend voor X, maar maakt echter niet dat er om die reden van moet worden uitgegaan dat er een eindloonregeling aan X was toegezegd. Het hof oordeelt dat X uit de verwijzing in de pensioenovereenkomst naar de verzekeringsovereenkomst en de daarbij behorende polisvoorwaarden had kunnen en moeten begrijpen dat er een voorbehoud was gemaakt met betrekking tot de hoogte van de pensioenuitkeringen, dat inhield dat de hoogte van die uitkeringen afhankelijk zou zijn van de stand van de rekenrenet en de levensverwachting op het moment waarop het pensioen zou ingaan.

Het hof concludeert uiteindelijk dat X in 1991 slechts een recht heeft gekregen op een verzekerd kapitaal tegen een vaste premie. En wijst de vordering van X dus af.

Commentaar

Streefregelingen zijn sinds de invoering van de Pensioenwet in 2007 niet meer mogelijk. Desalniettemin zijn ze nog regelmatig onderwerp van procedures. Zeker in gevallen zoals dit, waarin de verwachtingen (het beoogde pensioen) niet waargemaakt kunnen worden op basis van het op pensioeningangsdatum beschikbare kapitaal. De bedoeling van partijen en de mate waarin beide partijen de bedoeling van de wederpartij konden en moesten begrijpen, leidt het hof af uit het samenstel van alle stukken; offerte, polis en pensioenovereenkomst. Opvallend daarbij is dat het hof de offerte en de daaruit voortvloeiende verzekeringsovereenkomst als vertrekpunt neemt en pas daarna de pensioenovereenkomst bij de uitleg betrekt. Uit de verzekeringsconstructie blijkt inderdaad dat X slechts recht had op een verzekerd kapitaal en de daarvoor op de pensioendatum aan te kopen pensioenuitkeringen. De pensioenovereenkomst is echter de basis voor de pensioentoezegging en de werkgever dient er voor te zorgen dat de uit de pensioenovereenkomst voortvloeiende aanspraken volledig en één op één middels een verzekeringsovereenkomst zijn gedekt. In de pensioenovereenkomst staat; “het jaarlijkse ouderdomspensioen bedraagt voor elk dienstjaar 1,75% van de pensioengrondslag”. De pensioenovereenkomst verwijst verder naar de “ter dekking van het ouderdoms-, weduwen- en wezenpensioen” afgesloten verzekeringsovereenkomst. Het voorbehoud dat het gaat om beoogde pensioenen en dat deze afhankelijk zijn van de lijfrentetarieven op de pensioeningangsdatum, staat in de offerte en in de verzekeringspolis. De vraag is dan ook of het hof de juiste volgorde aanlegt door te beginnen bij de offerte en vervolgens op basis van de verzekeringsovereenkomst de pensioenovereenkomst inhoudelijk duidt. Basis voor een pensioentoezegging is de pensioenovereenkomst. Dat was onder de PSW niet anders dan nu onder de PW. En, zoals het hof ook toegeeft, lijkt die er op te duiden dat aan X een eindloonregeling is toegekend ter hoogte van 1,75% van zijn pensioengrondslag. De juiste volgorde was naar onze mening geweest dat de werkgever een verzekering had afgesloten die deze toezegging volledig dekt. En, voor zover dit niet de bedoeling was, hadden partijen de pensioenovereenkomst anders (beter) moeten redigeren. Door bijvoorbeeld de indertijd ook gebruikelijke formulering te hanteren dat het beoogde ouderdomspensioen 1,75% per dienstjaar bedroeg, maar dat het op polisnummer 12345 verzekerde pensioenkapitaal in de plaats treedt van deze beoogde aanspraken, zodat niet meer recht bestaat dan de uit hoofde van dat kapitaal op de pensioendatum op basis van de dan geldende tarieven aan te kopen jaarlijkse uitkeringen.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Hof Arnhem-Leeuwarden, 23 februari 2021, ECLI:NL:GHARL:2021:1686

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 9 maart 2021.