Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Streefregeling is geen gegarandeerde uitkering. Werknemer niet gebonden aan niet aanvaarde wijziging rentepercentage.

31 januari 2019

Wijziging rentepercentage in streefregeling niet aanvaard door werknemer. Werknemer is niet gebonden aan deze wijziging. Beroep werkgever op verjaring en schending klachtplicht verworpen. Stelling werknemer dat kapitaal voldoende moet zijn om beoogd ouderdomspensioen te kunnen aankopen verworpen door de kantonrechter.

Wat was er aan de orde?

X was werkzaam als lid van het managementteam van werkgever Y. Bij zijn indiensttreding in 1994 kwam X met zijn werkgever overeen dat hij niet ging deelnemen in de collectieve pensioenregeling van Y, maar zijn individuele C-polis voortzet. Deze polis was een zogenoemde streefregeling. Dat is een kapitaalverzekering met pensioenclausule waarbij de verzekerde kapitalen, rekening houdend met de eventueel gegarandeerde winst uitkeringen, voldoende zijn om op de pensioeningangsdatum de beoogde pensioenen te verkrijgen. De beoogde pensioenen van X waren gebaseerd op een eindloonregeling met een – toen nog – opbouwpercentage van 2,33 per dienstjaar. In de pensioenbrief was opgenomen dat als uit de verzekering hogere of lagere pensioenen voortvloeien dan is beoogd als gevolg van een afwijking van bij de het bepalen van het verzekerde kapitaal gehanteerde aannames, de pensioenaanspraken gelijk zijn aan die hogere respectievelijk lagere bedragen.

In de loop van de tijd wijzigde Y de pensioentoezegging een aantal keer. Naar aanleiding van de implementatie van de Witteveen-wetgeving in 2004 ging het opbouwpercentage van 2,33 naar 2 per dienstjaar. In de pensioenbrief 2004 staat; “Aan u wordt een winstdelende kapitaalverzekering toegezegd. De grootte van het te verzekeren bedrag bij uw in leven zijn op de einddatum van deze verzekering wordt vastgesteld aan de hand van het beoogde pensioen. Uitsluitend de hoogte van het verzekerde bedrag op de einddatum en het dan geldende tarief voor direct ingaand pensioen zijn bepalend voor de hoogte van het hierna omschreven pensioen.”

Tevens is in de nieuwe pensioenbrief per 2004 opgenomen dat; “bij de berekening van de grootte van de kapitaalverzekering is uitgegaan van een prognose van de op de uitkeringsdatum geldende koopsomtarieven voor dadelijk ingaand pensioen. Het bij deze berekening gehanteerde rentepercentage bedraagt 5,5%.” In de originele pensioenbrief uit 1994 stond geen vast prognose percentage van de op de ingangsdatum geldende tarieven, maar werd uitgegaan van; “een prognose van de op die datum geldende koopsomtarieven voor dadelijk ingaande pensioenen”.

Op 31 december 2017 ging X met pensioen omdat hij de AOW-gerechtigde leeftijd bereikte. Toen bleek dat zijn pensioenuitkeringen veel lager waren dan waarvan hij uitging. Dit werd met name veroorzaakt doordat het rentepercentage waarmee in de koopsomtarieven voor dadelijk ingaande pensioenen op dat moment rekening werd gehouden (veel) lager was dan 5,5%. Op basis van deze lagere marktrente levert het verzekerde kapitaal een veel lagere pensioenuitkering op dan beoogd.

Standpunt werknemer X; wijziging rentepercentage niet aanvaard

X stelt primair dat hij de door Y in de pensioenbrief 2004 voorgestelde wijziging ten aanzien van het vaste rentepercentage van 5,5 voor de berekening van het verzekerde pensioenkapitaal niet heeft aanvaard, zodat hij niet is gebonden aan deze wijziging. Y heeft hem niet, althans onvoldoende en onvolledig geïnformeerd over de wijziging en de gevolgen daarvan. Als Y wel aan die informatieverplichting had voldaan, dan had hij niet met de wijziging ingestemd.

Daarnaast stelt X zich op het standpunt dat Y gehouden is ervoor zorg te dragen dat het pensioenkapitaal dat ten behoeve van hem is verzekerd voldoende is om zijn beoogde ouderdomspensioen te kunnen aankopen bij de verzekeraar, waarbij volgens hem moet worden uitgegaan van de koopsomtarieven voor dadelijk ingaande pensioenen zoals die gelden op de datum van de daadwerkelijke aankoop van het pensioen. 

Standpunt werkgever Y; klachtplicht geschonden en verjaring

Y brengt hier tegen in dat X de zogenoemde klachtplicht heeft geschonden en dat zijn beroep op dwaling is verjaard. Volgens Y was X al bij de toezending van de pensioenbrief 2004 (in 2007!) op de hoogte, althans had op de hoogte kunnen zijn, van de vanaf dat moment gehanteerde vaste rente van 5,5%. X is volgens Y financieel goed onderlegd en als lid van het managementteam had hij op de hoogte kunnen zijn van de wijziging. De klachttermijn is volgens Y dan ook in 2007 aangevangen. Dor zeven jaar te wachten met zijn klacht over de vaste rente van 5,5% heeft hij dan ook niet voldaan aan zijn klachtplicht, die inhoudt dat iemand moet klagen binnen bekwame tijd nadat hij bekend werd, althans had behoren te zijn met de wijziging. De vordering tot vernietiging van de rechtshandeling op grond van dwaling is op dezelfde gronden volgens Y verjaard. 

Oordeel kantonrechter; X niet gebonden aan vast rentepercentage

De kantonrechter concludeert dat de klachttermijn niet is ingegaan op het moment van de toezending van de pensioenbrief 2004. Volgens hem is gesteld, noch gebleken dat de – onder meer op het punt van de gehanteerde rente gewijzigde – inhoud van de pensioenbrief 2004 voorafgaand met X is besproken, noch dat X in die periode door Y of door de verzekeraar op de gewijzigde rente is gewezen. Het enkel toesturen van de pensioenbrief 2004 door Y is onvoldoende om te concluderen dat X in 2007 redelijkerwijs op de hoogte moet worden geacht van het instellen van een vaste rente van 5,5%.
Dat X als lid van het managementteam financieel goed onderlegd was, maakt dit oordeel volgends de kantonrechter niet anders, omdat het instellen van een vaste rente niet werd voorgeschreven door de nieuwe wetgeving. Bovendien ziet de kantonrechter niet in hoe X op dat moment al behoorde te weten dat een vaste rente van 5,5% gezien de – onzekere en onvoorziene – toekomstige ontwikkelingen, ontoereikend was om het kapitaal te bereiken dat nodig zou zijn om het beoogde pensioen op de pensioendatum in te kopen.
De kantonrechter neemt het door X gestelde moment in 2016 dat hij feitelijk onderzoek deed naar zijn pensioenvoorziening en de wijziging constateerde als ingangsdatum van zowel de klachttermijn als de verjaringstermijn. De kantonrechter verwerpt het beroep van Y op schending van de klacht plicht en op de verjaring.

Y stelde dat X door ondertekening van de pensioenbrief 2004 zich verbonden heeft aan de afspraken zoals opgenomen in die pensioenbrief. De kantonrechter verwerpt dat standpunt. Omdat de pensioenbrief 2004, zoals X stelt, voor hem nadelige wijzigingen (waaronder een door de verzekeraar gehanteerde vaste rente van 5,5%) bevatte, mocht Y volgens de kantonrechter er slechts dan op vertrouwen dat X hiermee had ingestemd als aan hem duidelijkheid was verschaft over de inhoud van die wijzigingen en op basis van verklaringen of gedragingen van X een welbewuste en ondubbelzinnige instemming met die wijziging mag worden aangenomen. Dit criterium is volgens de kantonrechter niet anders op grond van het enkele feit dat X financieel goed onderlegd was. Vast is komen te staan dat Y X niet heeft gewezen op de wijziging van het rentepercentage en de gevolgen die die wijziging met zich kon brengen. Y heeft bovendien geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit een welbewuste en ondubbelzinnige instemming van X met de inhoud van de pensioenbrief 2004 blijkt en de daarin vermelde vaste renet van 5,5% kan worden afgeleid. De kantonrechter oordeelt dan ook dat X de wijziging niet heeft aanvaard. Voor de beoordeling van het geschil gaat hij daarom uit van de inhoud van de pensioenovereenkomst zoals vastgelegd in de pensioenbrief 1994.

De vraag is dan waar dat voor X toe leidt. De kantonrechter stelt vast dat sprake is van een streefregeling. Hoewel er dus wordt gestreefd naar een bepaalde uitkering , wordt de uitvoering vorm gegeven via een kapitaalverzekering. Er bestaat voor X dus geen garantie op een bepaalde uitkering, maar op een bepaald kapitaal. De beoogde uitkering is echter wel richtinggevend voor het bepalen van de hoogte van het kapitaal dat moet worden opgebouwd.

De kantonrechter verklaart voor recht dat de door Y in de pensioenbrief 2004 voorgestelde wijziging ten aanzien van het vaste rentepercentage van 5,5% voor de berekening van het verzekerde pensioenkapitaal niet is aanvaard door X. X is dan ook niet gebonden aan deze wijziging. Y had daarom gedurende het dienstverband van X voor het verzekerde pensioenkapitaal steeds moeten uitgaan van een prognose van het op de pensioneringsdatum van X geldende koopsomtarief voor dadelijk ingaande ouderdomspensioenen, waaronder begrepen een prognose van de rente die de verzekeraar hanteert bij het vaststellen van dat koopsomtarief.

Commentaar

Streefregelingen leiden nog al eens tot tegenvallende resultaten en (daardoor) tot procedures. Het pensioenresultaat kan tegenvallen doordat de beleggingsrendementen tegen vallen en/of doordat de rente waarmee wordt gerekend op de pensioen datum lager is dan aangenomen. Dit laatste speelde een belangrijke rol in deze zaak.

X had dit laatste risico in zijn pensioenbrief 1994 beperkt tot een rentedaling in het laatste jaar, door te bedingen dat het verzekerde pensioenkapitaal bepaald werd aan de hand van de prognose van de op pensioendatum geldende koopsomtarieven voor direct ingaande pensioenen. Een dalende marktrente leidt dus gedurende de opbouwperiode tot een hoger verzekerd pensioenkapitaal waardoor de beoogde pensioenen binnen handbereik bleven. X had echter geen garantie, zoals de kantonrechter terecht vaststelt. Het langleven risico en het verschil tussen de laatste prognose rente en de op de pensioendatum daadwerkelijk geldende rente komt voor zijn rekening, waardoor zijn uiteindelijke pensioenresultaat kan afwijken van het beoogde pensioen.

Maar dit effect is veel beperkter dan het verschil tussen het uiteindelijke pensioenresultaat en een beoogd pensioenresultaat op basis van een vaste rekenrente van 5,5%. Het u-rendement, dat een redelijke benadering van de door verzekeraars gehanteerde marktrente is, was in 2004 ongeveer 3,5%. Eind 2017, toen X met pensioen ging was hij 0%. Dat scheelt ten opzichte van een vaste rente van 5,5% een forse slok op een borrel! Het op de pensioendatum verzekerde pensioenkapitaal moet dus alsnog worden berekend op basis van het u-rendement eind 2016. En dat was zelfs -0,3%.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Midden Nederland 9 januari 2019, ECLI:NL:RBMNE:2019:100

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 30 januari 2019.