Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Successierecht geen aftrekbare kosten lijfrente

18 november 2015

Ten gevolge van het overlijden van haar broer kreeg een vrouw een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. Hierover betaalde zij successierecht. Volgens het Gerechtshof vormt het successierecht in de inkomstenbelasting geen aftrekbare kosten voor de uitkering van de lijfrente. De PG adviseert de Hoge Raad om de uitspraak van het Gerechtshof te volgen.

De kwestie 

Op 23 februari 2009 overleed de heer X. Zijn zus (A) was enig erfgenaam. Tot de erfrechtelijk verkrijging van A behoorde ook een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule. A kocht voor het lijfrentekapitaal geen lijfrente aan. Zij ontving van de verzekeraar het lijfrentekapitaal ter grootte van € 186.338. 

A moest over de verkrijging van de kapitaalverzekering successierecht (erfbelasting) betalen. Bij de hoogte van successierecht werd rekening gehouden met een latente inkomstenbelastingclaim van 30%. Over de eenmalige uitkering moest A ook inkomstenbelasting betalen. In haar aangifte inkomstenbelasting nam A het hierover betaalde successierecht op als aftrekbare kosten. De inspecteur was het hier niet mee eens omdat bij de bepaling van het successierecht al rekening was gehouden met de (latent) verschuldigde inkomstenbelasting.

Hoe besliste de rechter? 

De Rechtbank en het Gerechtshof besliste verschillend over dit geschil. De Rechtbank is op basis van de wetshistorie van oordeel dat het geheven successierecht kwalificeert als aftrekbare kosten in de zin van de Wet IB 2001. Het Gerechtshof was het eens met de inspecteur. Volgens het Hof had A een vermogensbestanddeel gekregen waarvoor zij geen lijfrente aankocht. Het 'niet ten uitvoer leggen van de lijfrenteclausule' leidt tot inkomstenbelastingheffing. En niet het krijgen van het vermogensbestanddeel, aldus het Hof. Daarom kan het successierecht volgens het Hof niet worden aangemerkt als een 'op een uitkering of verstrekking drukkende kostenpost gemaakt tot verwerving, inning of behoud van een uitkering of verstrekking.'

Procureur-Generaal bij de Hoge Raad 

A ging tegen de uitspraak van het Hof in cassatie. A is van mening dat bij de verkrijging van het successierecht moet worden uitgegaan van de werkelijk verschuldigde inkomstenbelasting, in plaats van de 30% latente inkomstenbelasting. En dat de wetgever cumulatie van successierecht en inkomsten belasting over een stamrechtverkrijging niet heeft bedoeld. Daarom mag volgens A het successierecht voor de inkomstenbelasting als aftrekbare kosten in mindering worden gebracht op de uitkering. 

De Procureur- Generaal (PG) is het daar niet mee eens. Hij stelt dat een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule voor de toepassing van de Successiewet 1956 moet worden behandeld als een stamrecht (recht op periodieke uitkeringen). In de Successiewet is voor stamrechten een regeling opgenomen die dubbele heffing van successierecht en inkomstenbelasting tegengaat. Daarbij is gekozen voor een forfaitaire regeling. Dat houdt in dat de aftrek geen volledige tegemoetkoming biedt. De wetgever vond kennelijk dat voor de situaties waarin een stamrecht wordt gekregen, de cumulatie in voldoende mate wordt weggenomen door de forfaitaire aftrek van de latente inkomstenbelastingschuld, aldus de PG. Volgens de PG volgt daaruit dat in dit geval geen ruimte bestaat om in de inkomstenbelasting ook het geheven successierecht als kosten in mindering te brengen. En mag  de rechter niet ingrijpen in deze door de wetgever gewilde regeling.

Commentaar 

In dit geval was de inkomstenbelasting die A moest betalen veel hoger dan de 30% waarmee bij de bepaling van het successierecht rekening was gehouden. 

Door het successierecht voor de inkomstenbelasting in aftrek te brengen, wilde A de gevolgen van een dubbele heffing verminderen. En eigenlijk eenzelfde situatie benaderen als wanneer er stamrechtuitkeringen worden geschonken. In die situatie hoeft 'begiftigde' namelijk maar één keer belasting te betalen: inkomstenbelasting of erf-/schenkbelasting. 

Volgens het Hof en de PG geeft de wetgeving niet de mogelijkheid om in andere situaties de cumulatie van de twee belastingen volledig te voorkomen. En houdt de wetgever wel degelijk rekening met de cumulatie van successierecht en inkomstenbelasting. Dat de wetgever daarbij uitgaat van een forfaitaire benadering en niet van de werkelijk verschuldigde inkomstenbelasting is een uitgangspunt dat de rechter niet mag toetsen. 

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Parket bij de Hoge Raad, 13 november 2015 

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 16 november 2015