Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Successierecht geen aftrekbare kosten lijfrente

24 maart 2016

De Hoge Raad neemt het advies van de PG over om successierecht over een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule niet toe te laten als aftrekbare kosten voor de inkomstenbelasting. 

De kwestie 

A erfde een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule van haar broer. A kocht voor het lijfrentekapitaal geen lijfrente aan. Zij ontving van de verzekeraar een kapitaal ter grootte van € 186.338. 

A was over de verkrijging van de kapitaalverzekering successierecht (nu: erfbelasting) verschuldigd. Bij de hoogte van successierecht werd rekening gehouden met een latente inkomstenbelastingclaim van 30%. Over de eenmalige uitkering moest A ook inkomstenbelasting betalen. A vond dat zij het betaalde successierecht als aftrekbare kosten in mindering kon brengen op het belaste lijfrentekapitaal. Het Hof was het niet eens met A. Volgens het Hof had het overlijden van de broer tot gevolg dat A een vermogensrecht kreeg (de rechten op grond van de kapitaalverzekering). Dit vermogensbestanddeel vormt op zichzelf niet een met inkomstenbelasting te belasten bate. Het niet ten uitvoer leggen van de lijfrenteclausule leidde tot een met inkomstenbelasting te belasten bate, omdat dat niet ten uitvoer leggen moet worden aangemerkt als belaste afkoop van de kapitaalverzekering, aldus het Hof. Volgens het Hof is A het successierecht niet verschuldigd geworden ter zake van de verkrijging van een met inkomstenbelasting te belasten uitkering. Daarom kan het successierecht niet worden aangemerkt als een kostenpost tot verwerving, inning of behoud van die uitkering. Het middel richt zich tegen dit oordeel.

Hoge Raad 

A ging tegen de uitspraak van het Hof in cassatie. A is van mening dat de wetgever cumulatie van successierecht en inkomsten belasting over een stamrechtverkrijging niet heeft bedoeld. En dat bij de verkrijging van het successierecht moet worden uitgegaan van de werkelijk verschuldigde inkomstenbelasting, in plaats van de 30% latente inkomstenbelasting. Daarom mag volgens A het successierecht voor de inkomstenbelasting als aftrekbare kosten in mindering worden gebracht op de uitkering. 

In ons nieuwsbericht van 18 november 2015 bespraken wij het advies van de Procureur- Generaal (PG). Hij is het niet mee eens met A. En stelt dat een kapitaalverzekering met lijfrenteclausule voor de toepassing van de Successiewet 1956 moet worden behandeld als een stamrecht (recht op periodieke uitkeringen). In de Successiewet is voor stamrechten een regeling opgenomen die dubbele heffing van successierecht en inkomstenbelasting tegengaat. Daarbij is gekozen voor een forfaitaire regeling. Dat houdt in dat de aftrek geen volledige tegemoetkoming biedt. De Hoge Raad neemt het advies van de PG over.

Volgens de Hoge Raad heeft de wetgever wel rekening willen houden met de samenloop van successierecht en inkomstenbelasting. Maar dit zag op de situatie dat de verkrijger belaste inkomsten ontvangt die aan een op de sterfdag reeds verstreken periode moeten worden toegerekend. Immers als deze opbrengst nog juist voor het overlijden door de erflater zou zijn genoten zou de inkomstenbelasting aftrekbaar zou zijn geweest in de boedel.

De kapitaalsuitkering in verband met afkoop van de lijfrenteverzekering betreft geen inkomsten die kunnen worden toegerekend aan reeds verstreken periode. A kan de successierechten dan ook niet als aftrekbare kosten in mindering brengen op kapitaalsuitkering. Overigens is in de Successiewet wel een regeling opgenomen die dubbele heffing van successierecht en inkomstenbelasting tegengaat. Daarbij is gekozen voor een forfaitaire regeling. Dat kan inhouden in dat de aftrek geen volledige tegemoetkoming biedt. 

Commentaar 

A wilde de gevolgen van een dubbele heffing van successierecht en inkomstenbelasting zo veel mogelijk verminderen. Maar volgens de Wet kan dit alleen door de anticumulatieregeling in de Successiewet. A moet dus genoegen nemen met een aftrek van 30% bij de bepaling van het successierecht terwijl zij veel meer inkomstenbelasting verschuldigd was over de afkoop van de lijfrente. Dat is inherent aan de forfaitaire benadering waarvoor de wetgever heeft gekozen. 

 

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hoge Raad, 18 maart 2016

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 23 maart 2016