Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Svb is gehouden te veel uitgekeerde toeslag terug te vorderen. Geen dringende reden om daar van af te zien.

20 september 2019

Svb keert tijdelijk te veel uit en vordert dit terug. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. In alle andere gevallen is zij gehouden onverschuldigd betaalde toeslagen terug te vorderen.

Svb blijft uitkeren na overlijden echtgenote

X ontving een AOW-uitkering en een toeslag ten behoeve van zijn echtgenote met wie hij in 1967 is gehuwd. De echtgenote overlijdt in augustus 2016. De Svb stopt de uitkering van de toeslag in november 2016 en vordert het te veel betaalde bedrag van € 1.937 terug. X maakt hiertegen bezwaar omdat het aan hem toegekende AOW-pensioen niet toereikend is om in de behoeften van zijn gezin en zijn eigen behoeften te voorzien. De Svb verklaart het bezwaar ongegrond en de rechtbank bevestigt dit oordeel in hoger beroep. X stapt naar de Centrale Raad van Beroep (CRvB).

CRvB bevestigt de uitspraak

De CRvB stelt voorop dat ten aanzien van de terugvordering van de te veel betaalde toeslag de Svb op grond van artikel 24 van de AOW gehouden is tot terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag. In de situatie van X is dat over de periode augustus tot en met november 2016. Slechts in geval van dringende redenen is de Svb bevoegd geheel of gedeeltelijk af te zien van terugvordering. Daarvan is volgens vaste rechtspraak slechts sprake als de financiële en/of sociale gevolgen vaneen terugvordering voor een verzekerde onaanvaardbaar zijn. X gaf geen inzicht in zijn financiële situatie, zodat de CRvB niet kan concluderen dat hij als gevolg van de terugvordering in een noodsituatie als hiervoor bedoeld terechtkomt. Dit betekent volgens de CRvB dat geen sprake is van dringende redenen op grond waarvan gedeeltelijk van terugvordering kan worden afgezien. De CRvB bevestigt de uitspraak van de rechtbank.

Commentaar

Een op het eerste gezicht weinig spectaculaire en logische uitspraak. In het licht van de recente commotie die ontstond toen ABP aankondigde onverschuldigd betaalde bedragen te gaan terugvorderen bij pensioengerechtigden, is hij echter toch interessant en het bespreken waard. ABP keerde door een foutieve gegevensvertrekking door de Svb gedurende zes jaar verkeerde pensioenbedragen uit. Voor 555 pensioengerechtigden leidde dit tot een te hoge uitkering. In eerste instantie gaf ABP aan deze deelnemers aan dat zij de te veel betaalde bedragen ging terugvorderen. Want; “het in de periode 2013 tot nu te veel uitgekeerde pensioen is ten koste gegaan van het pensioenvermogen van alle deelnemers. Als er te veel is uitgekeerd dan moet dat dus terug vloeien naar de pot. Als er te weinig is uitgekeerd, dan moet dat worden nabetaald.”

Naar aanleiding van de hierdoor ontstane ophef, diende het CDA Tweede Kamerlid Pieter Omtzigt een met grote meerderheid aangenomen motie in waarin hij de regering verzoekt binnen een half jaar een voorstel uit te werken waardoor deelnemers rechtszekerheid kunnen krijgen van hun pensioenfonds over aanspraken en uitgekeerde pensioenbedragen en daarvoor zo nodig een wetswijziging voor te stellen. Minister Koolmees stelde in een reactie hierop; “De pensioenregeling bepaalt de hoogte van de pensioenaanspraken van de deelnemers. Als de pensioenuitvoerder meer aan een deelnemer heeft uitbetaald dan waarop deze op grond van het pensioenreglement aanspraak had, dan heeft de pensioenuitvoerder het betreffende bedrag onverschuldigd betaald aan de deelnemers. De pensioenuitvoerder is gehouden het onverschuldigde bedrag terug te vorderen.”

Het is opvallend dat Koolmees hier dezelfde terminologie hanteert als de CRvB in deze zaak. De uitkerende instantie is gehouden om het onverschuldigd betaalde terug te vorderen. Het lijkt er dus op dat de pensioenuitvoerder volgens de minister geen eigen beleidsvrijheid in dezen heeft. In het geval van het ABP besloot het pensioenfonds echter uiteindelijk om niet terug te vorderen. Een voor de desbetreffende deelnemers een alleszins aanvaardbaar resultaat. Bij de meeste pensioenuitvoerders is het gebruikelijk om te veel uitgekeerde bedragen voor de toekomst te corrigeren en het verleden ongemoeid te laten, tenzij er sprake is van kwade trouw of duidelijk kenbare fouten. Een UPO waaraan deelnemers rechten kunnen ontlenen, zoals Omtzigt wil, gaat een heel stuk verder en is ook niet nodig. Artikel 48 Pensioenwet verplicht de pensioenuitvoerders om correcte informatie te verstrekken. Het verstrekken van onjuiste informatie is dus een onrechtmatige daad van de pensioenuitvoerder. Een deelnemer kan hem daar op aanspreken mits er sprake is van schade die toerekenbaar is aan de pensioenuitvoerder en een causaal verband heeft met de handelingen van de pensioenuitvoerder. Geen schade, bijvoorbeeld omdat de deelnemers voor de toekomst krijgt waarop hij op grond van het pensioenreglement recht heeft, dan ook geen schadevergoeding.

En overigens moet een pensioenfondsbestuur op grond van artikel 105 Pensioenwet zijn taak zodanig vervullen dat deelnemers, gewezen deelnemers, andere aanspraakgerechtigden, pensioengerechtigden en de werkgever zich door hen op evenwichtige wijze vertegenwoordigd kunnen voelen. Een besluit om al dan niet terug te vorderen, moet dan ook mede in deze context genomen worden.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis 

Bron: Centrale Raad van Beroep, 29 augustus 2019, ECLI:N:CRVB:2019:2860

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 20 september 2019.