Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zoekveld

Terminaal zieke reageert niet op uitruilmogelijk bij ontslag; geen partnerpensioen voor echtgenoot

2 maart 2018

Deelnemer in ABP-regeling heeft partnerpensioen op risicobasis. Door een ernstige ziekte reageert zij niet binnen de door ABP gestelde termijn op de mogelijkheid tot uitruil van ouderdomspensioen in partnerpensioen. Na haar overlijden heeft echtgenoot daarom geen recht op partnerpensioen.

Partnerpensioen op risico basis vervalt bij einde dienstverband

Mevrouw X bouwde gedurende haar dienstverband bij een onderwijsinstelling pensioen op bij het ABP. De ABP-regeling kent een partnerpensioen op risicobasis. Zij werd in april 2014 ongeneeslijk ziek. In juli 2014 trouwde zij met de heer Y. Op 1 augustus 2014 trad zij uit dienst en eindigde haar pensioenopbouw bij het ABP. Op 3 november 2014 informeert het ABP mevrouw X per brief over de gevolgen van het beëindigen van haar pensioenopbouw. Daarbij wijst het ABP haar op de mogelijkheid om een deel van haar ouderdomspensioen om te zetten in een partnerpensioen. Deze keuze moest X dan vóór 15 december 2014 aan ABP kenbaar maken. Dat heeft zij niet gedaan. X overlijdt en Y krijgt op 17 juli 2015 bericht van het ABP dat hij niet in aanmerking komt voor een nabestaandenpensioen. Hij maakt hiertegen bezwaar bij de pensioenuitvoerder APG en geeft daarbij aan dat hij pas eind juni 2015 kennis heeft genomen van de brief van 3 november 2014. Zijn echtgenote heeft deze brief niet gezien of heeft destijds niet kunnen reageren omdat zij in die periode ernstig ziek was en in het ziekenhuis verbleef. APG wijst dit bezwaar af omdat X door niet te reageren binnen de daarvoor gestelde termijn op grond van het pensioenreglement geen recht op een partnerpensioen had.  Het zelfde lot treft zijn beroep tegen deze beslissing bij de commissie van beroep van APG. De commissie van beroep stelt dat uit het pensioenreglement niet alleen rechten voortvloeien, maar ook verplichtingen om gebruik te kunnen maken van rechten. ABP kan volgens de commissie gehouden worden tot een correcte uitvoering als het gaat om toekennen van rechten, maar dat geldt ‘natuurlijk’ ook omgekeerd.
Y vordert vervolgens bij de kantonrechter in Maastricht dat ABP hem een nabestaandenpensioen moet uitkeren .

Handelde ABP conform het pensioenreglement en de Pensioenwet?

Y stelt dat ABP haar zorg- en informatieplicht heeft geschonden en daarom schadeplichtig is. Met name de informatieplicht die voortvloeit uit artikel 39 Pensioenwet Op basis van dit artikel moet de pensioenuitvoerder deelnemers bij beëindiging van de deelneming onder andere de informatie verstrekken die specifiek in het kader van de beëindiging voor hen relevant is. Y stelt dat zijn echtgenote de brief van 3 november 2014 nooit heeft ontvangen. Als dat wel was gebeurd, had zij gezien haar gezondheidstoestand zeker de keuze gemaakt haar ouderdomspensioen deels aan te wenden voor een nabestaandenpensioen. Volgens Y gold er een verzwaarde zorgplicht voor ABP en had ABP de brief van 3 november 2014 aangetekend moeten verzenden, of in ieder geval gelet op het belang van het eenmalige aanbod, voor 15 december 2014 moeten rappelleren. ABP heeft er volgens Y onvoldoende op toegezien dat deze belangrijke informatie zijn echtgenote bereikte.

ABP brengt hier tegen in dat zij meer dan een miljoen deelnemers heeft en jaarlijks ruim 80.000 informatiebrieven verstuurt aan deelnemers van wie de deelneming eindigt. Het versturen van een aangetekende brief kost € 8,35. Als ABP uit zorgvuldigheidsoverwegingen deze brieven aangetekend zou moeten versturen of zou moeten rappelleren, lopen de extra kosten op tot miljoenen euro’s. In verband met de in de Pensioenwet voorgeschreven beheerste bedrijfsvoering (artikel 143 PW) is het van fundamenteel belang dat ABP korte tijd na einde deelneming weet welke pensioenverplichtingen zij heeft of kan krijgen. Dit rechtvaardigt volgens ABP een eenmalige keuzemogelijkheid met een keuzetermijn van zes weken. De door Y aangevoerde fysieke en psychische redenen waarom niet is gereageerd, liggen volgens ABP in de risicosfeer van X.

Kantonrechter: geen schending informatie- en zorgplicht

De kantonrechter stelt dat in beginsel op het ABP de bewijslast rust van de ontvangst door X van de voor haar bestemde mededelingen. De enkele stelling van Y dat hij de betreffende informatie niet in de administratie van X heeft aangetroffen, leidt echter niet tot de gevolgtrekking dat zij die documenten niet heeft ontvangen. Tussen partijen is niet in geschil dat op alle in het geding gebrachte stukken het juiste adres van X is vermeld. Daarom neemt de kantonrechter aan dat de opgaven namens ABP correct zijn verzonden en door X zijn ontvangen. Te meer omdat Y niet heeft toegelicht hoe het anders mogelijk is dat hij deze stukken in het geding heeft kunnen brengen.

ABP was volgens de kantonrechter niet verplicht een rappel te sturen voor het verstrijken van de beslistermijn. Dat staat niet in het pensioenreglement en ABP stelt volgens de kantonrechter terecht dat ook van de (gewezen) deelnemers in het pensioenfonds enige inspanning mag worden verwacht ter uitoefening van hun rechten. De kantonrechter stelt vast dat in de (toelichting van) de overlegde UPO’s van 2013 en 2014 duidelijk is vermeld dat het nabestaandenpensioen voor Y nihil zou zijn en dat in de bijbehorende toelichting ook duidelijk de keuze mogelijkheid voor de uitruil al is vermeld.

Volgens de kantonrechter wist X, althans behoorde zij te weten op grond van de door ABP verstrekte informatie, dat van haar een tijdige aanvraag voor uitruil mocht worden verwacht indien zij Y van een nabestaandenpensioen wilde voorzien. De kantonrechter volgt het ABP in het standpunt dat van ABP - mede gelet op haar verplichting tot een beheerste bedrijfsvoering en de grote aantallen van beëindiging van deelneming - niet in redelijkheid kan worden verlangd dat zij haar gewezen deelnemers een rappel stuurt als zijn voor het einde van de beslistermijn geen reactie heeft ontvangen. ABP stelt en Y betwist dit niet, dat ABP niet op de hoogte was van de slechte gezondheidstoestand van X en daarmee ook geen rekening mee kan houden omdat deze omstandigheden in de risicosfeer van X liggen.

Als laatste deed Y een beroep op de bepaling in het pensioenreglement op grond waarvan ABP in bijzondere gevallen waarbij de toepassing van het reglement tot een onredelijke uitkomst leidt, ten gunste van een betrokkene een beslissing kan nemen die overeenkomt met de strekking van het pensioenreglement. De kantonrechter concludeert dat het feit dat de ziekte van X verhinderde dat zij de keuze voor uitruil kon maken niet een bijzonder geval is als bedoeld in het pensioenreglement. Voor zover X inderdaad geen keuze kon maken, ligt deze omstandigheid geheel in de risicosfeer van X zelf. Daar komt volgens de kantonrechter nog bij dat niet is onderbouwd waarom deze uitkomst voor Y onredelijk zou zijn. Deze was immers voorzienbaar want hij stond duidelijk in de UPO’s vermeld. Ook stelt de kantonrechter dat niet uit het oog mag worden verloren dat het bestuur van het ABP in bijzondere gevallen een beslissing zal nemen die met de strekking van het pensioenreglement overeenkomt. Het ABP stelt volgens de kantonrechter terecht dat die strekking is dat bij een niet kenbaar gemaakte keuze voor uitruil geen omzetting plaatsvindt. Tenslotte concludeert de kantonrechter dat het ABP met juistheid stelt dat de toetsing van de beslissing van het bestuur van ABP door een rechter slechts marginaal kan zijn. Dat wil zeggen dat de rechter de beslissing op zich niet inhoudelijk toetst, maar alleen kijkt of het bestuur in redelijkheid tot zijn beslissing kon komen.

Ook een beroep op de bepaling in het reglement dat het ABP beslist in gevallen waarin het pensioenreglement niet voorziet, wees de kantonrechter af. In het reglement is immers geregeld dat het uitblijven van een keuze binnen zes weken na de mededeling van het ABP dat kan worden geruild, er automatisch toe leidt dat deze uitruil niet plaatsvindt. In die zin is het uitblijven van een keuze volgens de kantonrechter geen geval waarin het reglement niet voorziet.

De kantonrechter wijst de vordering van Y dan ook af. In plaats van een partnerpensioen van € 1.133 per jaar tot zijn 65ste mag Y € 1.200 kosten van de procedure aan de zijde van het ABP vergoeden.

Commentaar

Een uitspraak die juridisch klopt. Maar gemengde gevoelens oproept. De Pensioenwet voorziet in artikel 61 in het keuzerecht voor de (gewezen) deelnemer voor uitruil ouderdomspensioen in partnerpensioen. Dit keuzerecht heeft hij in ieder geval bij beëindiging van de deelneming en met ingang van de datum waarop het ouderdomspensioen ingaat of kan ingaan. Indien een (gewezen) deelnemer de keuze door de pensioenuitvoerder voorgelegd krijgt bij ingang van zijn ouderdomspensioen en hij reageert niet binnen de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn, moet de pensioenuitvoerder over gaan tot het uitruilen van ouderdomspensioen in partnerpensioen. Hierdoor kan een gepensioneerde nooit onbewust in de situatie komen waarin er geen sprake is van een dekking voor zijn of haar partner. Bij de situatie zoals in deze uitspraak aan de orde was, waarin het deelnemerschap voor het bereiken van de pensioendatum werd beëindigd, is echter geen sprake van een automatische ruil als de gewezen deelnemer niet reageert. In dergelijke gevallen is een actieve reactie van de (gewezen) deelnemer juist een voorwaarde voor de pensioenuitvoerder om tot ruil over te kunnen gaan. Niet reageren leidt dan dus wél tot de situatie waarin geen sprake is van en partnerpensioen. Zoals de echtgenoot van de overleden deelnemer tot zijn schrik bemerkte. Het is uitermate aannemelijk dat X en Y ten tijde van het door ABP versturen van de informatie over de gevolgen van de uitdiensttreding van X iets anders aan hun hoofd hadden dan het zorgvuldig in de gaten houden van de post. X lag met uitgezaaide kanker in haar buik in het ziekenhuis. Wrang genoeg traden X en Y in juli 2014 nog met elkaar in het huwelijk omdat zij ervan uitgingen dat hierdoor de zaken, waaronder het pensioen geregeld waren. Want op de website van het ABP staat; “Uw partner is automatisch aangemeld voor ABP Nabestaandenpensioen als u trouwt”. Alleen was er in de situatie van X helemaal geen sprake van nabestaandenpensioen omdat zij niet actief had aangegeven dat ze wilde ruilen. Dat mag dan juridisch “binnen de risicosfeer van X liggen”, moreel voelt het anders.

Wellicht is het tijd om ook bij einde dienstverband voor de pensioendatum een automatische ruil voor te schrijven als een (gewezen) deelnemer niet reageert binnen de door de pensioenuitvoerder gestelde termijn. Dat voorkomt dit soort trieste situaties.

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Limburg 21 februari 2018.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 1 maart 2018.