Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Terugvordering bijzonder partnerpensioen terecht

6 juni 2019

Een samenlevingsovereenkomst eindigt voordat het nieuwe pensioenreglement is ingegaan waarin het recht op bijzonder partnerpensioen is geregeld. Het pensioenfonds mag het uitbetaalde bijzonder partnerpensioen terugvorderen.

Bijzonder partnerpensioen na beëindiging samenwonen

Sinds de invoering in 2007 van artikel 57 in de Pensioenwet behouden ook samenwoners na beëindiging van de samenwoning – onder voorwaarden - aanspraak op het tot dan toe opgebouwde partnerpensioen. Tot 2007 behielden alleen gehuwden en geregistreerd partners na scheiding aanspraak op het opgebouwde bijzonder partnerpensioen tot de scheiding.

A en B woonden tussen november 1974 en oktober 2003 samen. Op 15 mei 1991 stelden A en B hun samenlevingscontract notarieel vast. De samenlevingsovereenkomst werd op 18 februari 2004 beëindigd. Ook dit werd notarieel vastgelegd.

B is deelnemer in de pensioenregeling van het pensioenfonds. In 2010, voor het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd, overlijdt B. Op 14 april 2010 stuurde A het pensioenfonds een kopie van de samenlevingsovereenkomst en de beëindiging daarvan. A verzocht het pensioenfonds om toekenning van het nabestaandenpensioen. Op 28 april 2010 antwoordde het pensioenfonds A dat zij daarvoor niet in aanmerking komt, omdat zij volgens het pensioenreglement dat gold in 2004 niet kon worden aangemerkt als officiële partner.

Op 19 december 2014 dient A een aanvraag in voor bijzonder nabestaandenpensioen bij het pensioenfonds. Volgens het in 2007 gewijzigde reglement hebben ook ex-partners met wie uitsluitend een samenlevingsovereenkomst is gesloten recht op bijzonder nabestaandenpensioen, mits er voldaan wordt aan enkele bijzondere vereisten. In januari 2015 bericht het pensioenfonds A dat met ingang van 1 november 2010 een bijzonder partnerpensioen is toegekend van € 13.250 bruto per jaar. Tussen februari 2015 en 19 juni 2015 betaalt het pensioenfonds in totaal na inhouding van loonheffing € 36.265 netto aan A uit. Als A bezwaar maakt tegen de inhoudingen op de bruto uitkering constateert het pensioenfonds dat zij A ten onrechte bijzonder partnerpensioen heeft toegekend en vordert het totale aan A uitgekeerde netto pensioenbedrag van A terug.

Samenlevingsovereenkomst eindigde vóór nieuwe reglement

De kantonrechter oordeelde dat A geen aanspraak heeft op bijzonder nabestaandenpensioen op grond van het reglement dat gold in 2004. Daarom heeft het pensioenfonds de uitkeringen over de periode november 2010 tot en met mei 2015 zonder rechtsgrond en daarom onverschuldigd betaald, aldus de kantonrechter. A gaat in hoger beroep tegen het oordeel van de kantonrechter.

Het gerechtshof bevestigt het oordeel van de kantonrechter en motiveert dit onder meer als volgt.

Volgens het pensioenreglement 2004 hebben alleen ex-echtgenoten en ex-geregistreerde partners aanspraak op een bijzonder nabestaandenpensioen. In het pensioenreglement vanaf 2007 is dit gewijzigd waardoor ook ex-partners met wie uitsluitend een samenlevingsovereenkomst was gesloten recht hebben op een bijzonder nabestaandenpensioen. Volgens de rechter heeft het pensioenfonds niet beoogd om ex-partners (anders dan ex-echtelieden en geregistreerde partners) van wie de relatie voor invoering van het nieuwe reglement is geëindigd, alsnog in aanmerking te laten komen voor een bijzonder partnerpensioen. Dit betekent echter niet dat het pensioenfonds het volledige ten onrechte betaalde nabestaandenpensioen tegemoet kan zien.

Het hof is van oordeel dat A, voor zover zij het door haar ontvangen nabestaandenpensioen heeft besteed aan levensonderhoud (ongeveer € 5.000) en zij te goeder trouw mocht menen dat zij rechthebbende was op deze uitkering, niet tot teruggave kan worden verplicht van dat deel van het uitgekeerde bedrag. Volgens het hof had A – in tegenstelling tot wat het pensioenfonds stelde – niet hoeven te beseffen dat het pensioenfonds haar op 16 januari 2015 ten onrechte nabestaandenpensioen had toegekend. De bepalingen van het pensioenreglement, zoals per 2007 gewijzigd, zijn volgens het hof zonder kennis van de onderliggende regelgeving niet duidelijk. Het hof voegt daaraan toe: “Het pensioenfonds heeft weinig blijk gegeven van het besef dat het vooral de eigen fouten van het pensioenfonds dan wel de uitvoerder zijn geweest die deze procedure hebben veroorzaakt.”

Volgens het hof is het pensioenfonds ook aansprakelijk voor de schade die voor A voortvloeide uit de onterechte toekenning en uitbetaling van het nabestaandenpensioen. Het gaat hierbij om inkomensafhankelijke toeslagen, zorgtoeslag en belastingnadeel tot een totaalbedrag van ongeveer € 4.700.

Commentaar

Een bijzonder partnerpensioen dat ontstaat na het einde van een samenlevingsrelatie, niet zijnde een huwelijk of geregistreerd partnerschap, is voor pensioenuitvoerders lastig vast te stellen. Het blijkt niet uit de Basisregistratie Personen (BRP) waarin gemeenten persoonsgegevens van burgers (ingezetenen) bijhouden. Het beëindigen van een samenwoningsrelatie wordt daarin niet vastgelegd, in tegenstelling tot scheidingen. Om aanspraak te kunnen maken op het bijzonder partnerpensioen moeten samenwoners die hun samenwoning beëindigen dit zelf melden bij desbetreffende pensioenuitvoerder. Dit verandert niet, wanneer de nieuwe wet verdeling pensioen bij scheiding ingaat.

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, 28 mei 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 juni 2019.