Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Teveel ontvangen IOAW door fout college mag worden teruggevorderd

Teveel ontvangen IOAW door fout college mag worden teruggevorderd

7 november 2019

Y ontvangt een uitkering IOAW, waarbij rekening is gehouden met haar nabestaandenvoorziening. De uitkering wordt in 2013 aangepast in verband met inkomen uit arbeid van Y. Hierbij wordt per ongeluk de nabestaandenvoorziening niet meer in aanmerking genomen. Het College van B&W vordert drie jaar later de teveel betaalde IOAW terug.

Terugvordering teveel betaalde IOAW

Y ontvangt sinds 12 november 2011 een IOAW uitkering voor een alleenstaande. Daarnaast ontvangt Y een nabestaandenpensioen dat voor het bepalen van de hoogte van de IOAW uitkering als inkomen wordt gezien. Vanaf september 2013 ontving Y ook inkomsten uit arbeid. Het College van B&W (hierna: college) heeft deze inkomsten in de maanden december 2013 en januari 2014 meegenomen in de bepaling van het de IOAW uitkering. Het college heeft abusievelijk vanaf december 2013 verzuimd ook het nabestaandenpensioen mee te nemen. Hierdoor ontving Y van december 2013 tot en met juli 2016 maandelijks een te hoog bedrag aan IOAW-uitkering.

In augustus 2016 komt het college achter haar fout en vordert de te veel betaalde uitkering tot een bedrag van netto € 12.402,64 van Y terug. Het college geeft aan dat er aanleiding bestaat voor het toepassen van de zogenoemde zesmaandenjurisprudentie. Y gaat in beroep tegen de uitspraak van het college. De rechtbank geeft het college gelijk, waarnaar Y in hoger beroep gaat bij de Centrale Raad van Beroep (hierna CRvB).

Zesmaandenjurisprudentie

Op grond van artikel 25, tweede lid, van de IOAW kan een te hoog bedrag aan IOAW dat is uitbetaald, worden teruggevorderd.

Uit de Beleidsrichtlijnen van het college volgt dat het college gebruik heeft gemaakt van de bevoegdheid tot terugvordering van ten onrechte verleende uitkering als bedoeld in artikel 25 van de IOAW. In de richtlijnen is verder ten aanzien van de terugvordering het volgende beleid opgenomen:

“(…) Terugvordering van bijstand vindt plaats binnen 6 maanden vanaf het moment dat wij beschikken over relevante informatie van de uitkeringsgerechtigde situatie waaruit concreet kan worden afgeleid dat er sprake is van een situatie waarin sprake is van teveel betaalde bijstand

Als niet binnen 6 maanden vanaf voornoemd moment is teruggevorderd, vindt terugvordering niet meer plaats, tenzij er sprake is van vorderingen die ontstaan zijn door schending van de inlichtingenplicht of het niet nakomen van gestelde verplichtingen en vorderingen die voortkomen uit het achteraf verkrijgen van middelen. (…)

Centrale Raad van Beroep

Volgens de uitleg van het college begrijpt de CRvB dat voor toepassing van het neergelegde zesmaandenbeleid sprake moet zijn van een concreet signaal, dat zowel afkomstig kan zijn van Y zelf als uit andere bron, bijvoorbeeld vanuit de interne organisatie.

Y geeft aan dat de herberekening van de IOAW-uitkering na het stoppen van de inkomsten uit arbeid van Y in februari 2014 een intern signaal voor het college had moeten zijn, waaruit had moeten worden opgemaakt dat de pensioeninkomsten abusievelijk niet meer werden betrokken bij het berekenen van de hoogte van de uitkering. Y geeft ook aan dat ook in 2015 een toetsmoment heeft plaatsgevonden, waarin het college aanleiding had moeten zien nader onderzoek te doen.

De CRvB geeft aan dat de rechtbank eerder terecht overwoog dat niet duidelijk is waarom het wegvallen van de inkomsten uit arbeid in februari 2014 voor het college een concreet signaal is dat al eerder abusievelijk de pensioeninkomsten niet langer werden betrokken. Evenmin bestond op dat moment aanleiding voor het college om nader onderzoek te doen naar de inkomenssituatie van Y. Ook bij het toetsmoment in 2015 bestond een dergelijke aanleiding niet, omdat deze toets betrekking had op het re-integratietraject waaraan Y deelnam en niet op de inkomenssituatie van Y.

Ook het signaal dat Y in 2014 afgaf in een telefonisch contact dat zij in 2014 met het college had, is volgens de CRvB niet relevant omdat dit betrekking had op een ongeluk van Y waarbij zij haar schouder had gebroken, waardoor het re-integratieproces tijdelijk is stopgezet. Ook een later gesprek ging alleen over de re-integratie en niet over de inkomenssituatie van Y. Volgens de CRvB is er geen concreet signaal van de zijde van Y geweest over de hoogte van de IOAW uitkering. Hieruit volgt dat niet is gebleken dat vóór 31 juli 2016 bij het college een concreet signaal was binnengekomen waaruit het college kon afleiden dat sprake was van een fout op grond waarvan actie ondernomen moest worden. Voor toepassing van het zesmaandenbeleid bestond dan ook geen aanleiding aldus de CRvB.

 Ook met het argument dat er sprake was van meerdere fouten door het college en van zwaarwegende problematiek van haar kant(Y gaat zeer gebukt onder de terugvordering en weet niet hoe zij die ooit moet terugbetalen) krijgt Y de CRvB niet mee.

Volgens de CRvB handelt het college op grond van artikel 4:84 van de Awb overeenkomstig de beleidsregel, tenzij dat voor één of meer belanghebbenden gevolgen heeft die wegens bijzondere omstandigheden onevenredig zijn in verhouding tot de met de beleidsregel te dienen doelen. Van dergelijke bijzondere omstandigheden is volgens de CRvB geen sprake. Het college geeft aan dat de invordering van de terugvordering is opgeschort omdat Y wordt beschermd door de beslagvrije voet. Zolang het inkomen van Y hier onder blijft, zal niet worden ingevorderd.

Commentaar

Y heeft geen signaal afgegeven toen haar IOAW uitkering hoger was, dan deze eigenlijk had moeten zijn. Hierdoor heeft zij ruim drie jaar teveel IOAW ontvangen. Als zij dit eerder had gemeld, dus voordat het college dit zelf had ontdekt, dan had ze een beroep kunnen doen op de zesmaandenjurisprudentie, die bij het college in de beleidsregels was verwerkt.

Op grond van jurisprudentie van de CRvB mogen bestuursorganen (zoals de SVB en gemeenten)hun bevoegdheid tot terugvordering niet uitoefenen voor zover de terugvordering betrekking heeft op bedragen die zijn betaald meer dan zes maanden na de ontvangst van een signaal van de uitkeringsgerechtigde waaruit het uitvoeringsorgaan had moeten afleiden dat ten onrechte of te veel wordt betaald. Helaas voor Y heeft zij geen duidelijk signaal afgegeven. Overigens hoeft zij pas terug te betalen, wanneer haar inkomen de beslagvrije voet te boven gaat.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Centrale Raad van Beroep, 30 september 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 november 2019