Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Tijdelijke huurinkomsten tuinhuis blijven onbelast

19 augustus 2019

Belastinginspecteur rekent de inkomsten uit de tijdelijke verhuur van een tuinhuis gedeeltelijk tot inkomsten uit werk en woning. X is het daar niet mee eens, omdat er geen sprake is van het verhuren van de volledige eigen woning. Rechtbank en hof zijn het eens met X.

Wet gaat uit van verhuur volledige eigen woning

De inspecteur is van mening dat de inkomsten uit verhuur van het tuinhuis voor 70% belast zijn als inkomsten uit eigen woning. De rechtbank is het daar niet mee eens. Uit artikel 3.113 Wet op de inkomstenbelasting 2001 (IB 2001) en de parlementaire toelichting blijkt dat de voordelen van de tijdelijke verhuur alleen betrekking hebben op verhuur van de gehele eigen woning en niet een gedeelte ervan. Er is zelfs een wijziging geweest in 2010 van dit artikel, omdat bij het oorspronkelijke voordeel van 75% het eigenwoningforfait gedurende de periode van verhuur verlaagd mocht worden. Vanaf 2010 zijn de voordelen van tijdelijke verhuur van de eigen woning bepaalt op 70% in verband met het gemakkelijker vooraf invullen van de aangifte door de belastingdienst. Bij het bepalen van het percentage is steeds uitgegaan van verhuur van de volledige eigen woning.

Box 1 of box 3?

De inspecteur geeft aan dat het tuinhuis dan in ieder geval tot een voordeel uit sparen en beleggen (box 3) in aanmerking dient te worden genomen. De rechtbank gaat hier niet in mee omdat de woning inclusief het tuinhuis als eigen woning in aanmerking wordt genomen als bestanddeel van het belastbaar inkomen uit werk en woning (box 1). De omstandigheid dat voor het tuinhuis geen voordeel in aanmerking is genomen op de voet van artikel 3.113 wet IB 2001, brengt hierin geen verandering.

Tuinhuis in box 3 volgens het Hof

Het hof geeft aan dat uit de definitie van de eigen woning volgt dat “tot de ‘eigen woning’ onder meer wordt gerekend een gebouw of een gedeelte van een gebouw met de daartoe behorende aanhorigheden, voor zover dat de belastingplichtige anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat.” Het hof trekt vervolgens de conclusie dat het tuinhuis slechts tijdelijk als hoofdverblijf (tezamen met de woning) aan X ter beschikking staat. Het tuinhuis kan in dat geval niet tot de eigen woning worden gerekend. Nu de heffing over de tijdelijke verhuur van artikel 3.113 ziet op de eigen woning en het verhuurde tuinhuis daar niet toe behoort, zijn de inkomsten uit verhuur niet als inkomsten uit eigen woning belast. Dat betekent dat het tuinhuis dan behoort tot de grondslag van het inkomen uit sparen en beleggen.

Het hof bevestigt vervolgens de beslissing van de rechtbank.

Commentaar

Deze uitspraak van het hof geeft aan dat verhuur van een gedeelte van de eigen woning niet leidt tot belaste huurinkomsten in box 1. Het hof volgt hierbij de uitspraak van de rechtbank, waarover wij eerder een praktijkvraag schreven.

In deze praktijkvraag over de uitspraak van de rechtbank waren deze huurinkomsten niet belast in box 1 en ook niet in box 3.

Het hof bevestigt de beslissing van de rechtbank, maar bepaalt in tegenstelling tot de rechtbank dat het tuinhuis wel behoort tot box 3. Daarvoor legt het hof de definitie van ‘eigen woning’ uit de Wet IB zodanig uit dat voor ‘aanhorigheden’, zoals het tuinhuis, afzonderlijk moet worden bepaald of deze ‘anders dan tijdelijk als hoofdverblijf ter beschikking staat. En dat geldt volgens de uitleg van het hof niet voor een ‘gedeelte van een gebouw’. Een twijfelachtige uitleg die bijzondere situaties oplevert. Bijvoorbeeld voor de WOZ-waarde. Behoort het tuinhuis (met ondergrond) per 1 januari van enig jaar wel of niet tot de waarde van de eigen woning wanneer het tuinhuis op dat moment niet verhuurd is? En dat heeft natuurlijk meteen gevolgen voor het eigenwoningforfait.

Ook voor de renteaftrek voor de eigen woning levert de uitleg van het hof bijzondere situaties op. In een jaar waarin het tuinhuis tijdelijk is verhuurd behoort het tuinhuis volgens de uitleg van het hof de niet tot de eigen woning. En in een jaar waarin het tuinhuis niet is verhuurd wel. Met als gevolg dat het ene jaar wel renteaftrek is, en voor het andere niet. De uitkomst lijkt op de fiscale gevolgen bij kamerverhuur boven het vrijgestelde maximum jaarbedrag, maar hier wordt niet voldaan aan de eis dat de huurder ingeschreven staat op dit adres bij de gemeente.

Wij zijn benieuwd of dit nog een vervolg krijgt.

Op 14 augustus 2019 verwijst de rechtbank Noord-Holland naar deze uitspraak van het hof om verhuuropbrengsten van tijdelijk verhuur van een deel van de eigen woning niet in box 1 te belasten. Opmerkelijk is dat de rechtbank hierbij nadrukkelijk niet overgaat tot het toewijzen van dat deel van de woning tot box 3, zoals het hof wel doet.

Auteur: Joanna Hildering, adviseur Aegon Adfis

Bron: Gerechtshof Amsterdam, 17 juli 2019

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 19 augustus 2019