Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Tijdsevenredige premieheffing over afkoop klein pensioen

4 januari 2017

Hof Den Bosch bevestigt  nog eens dat het tijdsevenredig premietarief geldt bij afkoop pensioen in het jaar waarin de AOW ingaat. 

Afkoop na AOW-ingang

De heer X bereikte op 26 oktober 2012 de AOW-gerechtigde leeftijd. In dat zelfde jaar koopt de pensioenuitvoerder het pensioen van X in één keer af. Na het inhouden van loonheffing keert de pensioenuitvoerder € 6.005 aan X uit. 

X deed in maart 2013 aangifte inkomstenbelasting over 2012. Zijn belastbaar inkomen uit werk en woning, tevens verzamelinkomen, bedraagt € 41.632.

In december 2014 legt de Inspecteur aan X de aanslag IB 2012 op. Voor de berekening van de verschuldigde premie volksverzekeringen gaat de Inspecteur uit van een tijdsevenredig heffingspercentage van 26,67. Dit is het samengestelde percentage van het gedeelte van het jaar 2012 vóórdat X de pensioengerechtigde leeftijd bereikte en van de periode erna (31,15% x 270/360 + 13,25% x 90/360). X ziet dat anders. Hij vindt dat zijn afkoopsom gedeeltelijk in zijn belastbaar inkomen 2012 moet worden meegenomen. En als de afkoopsom helemaal in zijn belastbaar inkomen 2012 wordt meegenomen, dan vindt hij dat het premietarief in strijd is met het Europees verdrag van de rechten voor de mens (EVRM).

Rechters: tijdsevenredig premietarief 

Rechtbank Zeeland-West-Brabant oordeelde in augustus 2015 dat de regeling waarbij het premiepercentage wordt bepaald naar tijdsgelang, niet in strijd is met het EVRM en ook niet geleid heeft tot een buitensporige last voor X. De rechtbank hierover: ”De regeling is precies en inzichtelijk, doelmatig en redelijk, en niet gezegd kan worden dat belanghebbende onevenredig wordt geschaad door de wijze van premieberekening. Het gaat immers om een premielast van 26,67% versus 13,25% over de afkoopsom van € 6.005; het premieverschil is afgerond € 800. Dat is naar het oordeel van de rechtbank niet een buitensporige last voor belanghebbende. Er staat immers tegenover dat belanghebbende meteen de hele pensioenafkoopsom heeft genoten.” De rechtbank refereert daarbij aan het arrest van de Hoge Raad van 9 september 2005 (ECLI:NL:HR:2005:AR5905), waarin een aanslag ib/pvv 2001 aan de orde was.

X gaat in hoger beroep. Hij betwist onder meer of het ten afkoop ontvangen pensioen tegen het juiste (gecombineerde) tarief is belast. Het Hof Den Bosch sluit volledig aan op de motivering van de rechtbank Zeeland-West Brabant. 

Voor wat betreft het volledig belasten van de afkoopsom in 2012 geeft het hof aan: “Nu artikel 3.146 van de Wet inkomstenbelasting 2001 het tijdstip, waarop deze som geld geacht wordt (fiscaal) te zijn genoten, vaststelt op het moment waarop belanghebbende deze som geld heeft ontvangen, valt dit inkomen in zijn geheel in 2012 in de grondslag van de belastingheffing bij belanghebbende. De Wet inkomstenbelasting 2001 biedt geen steun voor het standpunt dat dit inkomensbestanddeel verdeeld mag worden over meer jaren. (…) Nu het ten afkoop ontvangen pensioen de draagkracht van belanghebbende in 2012 heeft verhoogd, is het Hof van oordeel dat ook om die reden inkomstenbelastingheffing in het jaar 2012 gerechtvaardigd is.”

Commentaar

Het is wonderlijk dat er over iets dat – naar onze mening - zo duidelijk is, een procedure wordt gevoerd. En dan nog hoger beroep ook! 

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Hof Den Bosch, 23 september 2016; publicatiedatum 30 december 2016 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 4 januari 2017.