Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Tijdstip afstorting verevend pensioen in eigen beheer

Tijdstip afstorting verevend pensioen in eigen beheer

9 maart 2020

Welk tijdstip is bepalend voor de koopsom die moet worden gestort voor het verevende pensioen van de partner van de dga: de koopsom die overeenkomt met de waarde op scheidingsdatum of op stortingsdatum? Volgens de Hoge Raad de stortingsdatum. 

Commerciële waarde op scheidings- of stortingsdatum?

De heer X en mevrouw Y zijn in 1982 met elkaar gehuwd. Het huwelijk is op 23 maart 2012 ontbonden door inschrijving van de echtscheidingsbeschikking in de registers van de burgerlijke stand. Tijdens het huwelijk heeft X in eigen beheer pensioenrechten opgebouwd in BV A. 

In eerste aanleg vordert Y dat X een bedrag van € 160.000 afstort bij een externe pensioenverzekeraar ten behoeve van het aan haar toekomende deel van de pensioenaanspraken die X in eigen beheer heeft opgebouwd. X stort dit bedrag af nadat de rechtbank dit verzoek toewijst. In hoger beroep betoogt Y dat het haar toekomende bedrag hoger is dan het eerder door partijen en de rechtbank tot uitgangspunt genomen bedrag van € 160.000. Volgens Y heeft zij recht op de commerciële waarde per 1 januari 2018 van € 357.089. 

Het hof oordeelt dat X ter zake van het aan Y toekomende deel van de in eigen beheer opgebouwde pensioenaanspraken een bedrag moet afstorten bij een externe pensioenverzekeraar van in totaal (dus inclusief het reeds afgestorte bedrag van € 160.000) € 302.372. Dit bedrag komt overeen met de commerciële waarde van het ouderdom- en partnerpensioen op de datum van scheiding, zoals door de door het hof benoemde deskundige is berekend. Volgens het hof heeft Y per 1 januari 2018 weliswaar een hoger bedrag nodig om haar pensioenaanspraak elders te verzekeren dan op het tijdstip echtscheiding nodig zou zijn geweest, maar het hof vindt het – mede gelet op de postrelationele solidariteit – niet redelijk dit ten laste van X te laten komen.

Hof mag beslissen over de hoogte van het af te storten bedrag

Y gaat in beroep. Zij is het niet eens met het oordeel van het hof uitgaat van een af te storten bedrag op basis van de waarde op de scheidingsdatum ter grootte van € 302.372 in plaats van het bedrag dat nodig is op het moment van afstorting. Volgens Y moeten de haar toekomende pensioenaanspraken weliswaar worden berekend op het tijdstip van echtscheiding, maar moet op het moment van afstorting het bedrag worden gegeven dat nodig is om de berekende pensioenaanspraak van haar ook daadwerkelijk te kunnen realiseren, te weten: € 357.089.

Volgens de Hoge Raad is het tijdstip van echtscheiding inderdaad bepalend voor de hoogte van de aanspraak op ouderdomspensioen en partnerpensioen waarop Y wettelijk recht heeft. Dit volgt uit de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding (Wvps). Ook over het tijdstip waarop de voor deze aanspraken af te storten koopsom moet worden berekend, is de Hoge Raad het met Y eens. Volgens de Hoge Raad brengen de eisen van redelijkheid en billijkheid met zich dat de vereveningsplichtige directeur grootaandeelhouder (dga) moet zorgen voor afstorting van het kapitaal voor de te verevenen pensioenaanspraak bij een externe pensioenverzekeraar. Daarmee strookt het volgens de Hoge Raad dat het af te storten bedrag wordt berekend naar de commerciële waarde van de pensioenaanspraak ten tijde van de afstorting. 

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 11 oktober 2018 en verwijst het geding naar het gerechtshof ’s-Hertogenbosch ter verdere behandeling en beslissing. Het gerechtshof moet beslissen over de hoogte van het bedrag dat BV A moet afstorten. Volgens de Hoge Raad mag de rechter, gelet op alle omstandigheden van het geval, beslissen dat geen aanspraak bestaat op (volledige) afstorting wanneer X aannemelijk maakt dat de benodigde liquide middelen niet kunnen worden vrijgemaakt of van elders verkregen zonder de continuïteit van de bedrijfsvoering van de rechtspersoon en de daarmee verbonden onderneming in gevaar te brengen. 

Commentaar

Opmerkelijk is dat het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden postrelationele solidariteit gebruikt als argument om de commerciële waarde van de verevende pensioenaanspraken vast te stellen op de scheidingsdatum. Hieruit blijkt dat het hof twee belangrijke zaken door elkaar haalt: de aanspraken en de financiering daarvan. De hoogte van de aanspraken wordt vastgesteld aan de hand van de Wvps, waarbij het moment van scheiding bepalend is. De hoogte van de voor deze aanspraken af te storten koopsom wordt bepaald aan de hand van de actuariële grondslagen op het moment van daadwerkelijke afstorting.

Postrelationele solidariteit komt er kortweg op neer dat zowel de DGA als diens (ex-) partner de onderdekking van het pensioen in eigen beheer verdelen. Dit betekent niet dat hierdoor een ander moment bepalend wordt voor het bepalen van de te storten koopsom. 

De Hoge Raad vernietigt de beschikking van het gerechtshof. Uit de uitspraak komt helder naar voren dat: 

  1. De hoogte van de verevende aanspraken vastgesteld moeten worden op het moment van scheiding;
  2. het bedrag dat moet worden betaald voor het extern verzekeren van deze verevende aanspraken wordt bepaald op de stortingsdatum. Dit is niet de commerciële waarde van die aanspraken ten tijde de scheiding maar de commerciële waarde op de stortingsdatum;
  3. dat de hoogte van het af te storten bedrag pas kan worden gecorrigeerd wanneer de vereveningsplichtige directeur grootaandeelhouder het aannemelijk maakt dat een volledige afstorting van de verevende aanspraken de continuïteit van de bedrijfsvoering van de BV in gevaar brengt. 

 

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis
Bron: Hoge Raad, 14 februari 2020

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 6 maart 2020