Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Toch een eigen bijdrage voor pensioenopbouw na ontslag

Toch een eigen bijdrage voor pensioenopbouw na ontslag

11 maart 2020

X tekende bij het einde van zijn dienstverband een keuzeformulier voor zijn transitievergoeding en pensioenopbouw. De totale pensioenpremie komt daardoor in mindering op zijn transitievergoeding. X wil wel pensioenopbouw maar er niet voor betalen. Daar gaat de rechter niet helemaal in mee.

Keuzeformulier

X werkte van 1984 tot 1 mei 2017 bij werkgever T. Op de arbeidsovereenkomst is de cao T van toepassing (hierna: de cao). In verband met zijn arbeidsongeschiktheid ontvangt X vanaf 6 april 2016 een WIA-uitkering van 100 %. X en T onderhandelden over de beëindiging van de arbeidsovereenkomst maar bereikten geen overeenstemming. Op 4 mei 2016 ontvangt T een ontslagvergunning van het UWV waarna T de arbeidsovereenkomst met X opzegt.
Op 19 oktober 2016 schrijft T aan X: ‘Omdat u inmiddels meer dan 2 jaar arbeidsongeschikt bent, zeggen wij met deze brief uw dienstverband op. (…) Reeds in een eerder stadium is aan u een voorstel toegelicht en overhandigd ter beëindiging van uw dienstverband (…) Nu wij uw dienstverband opzeggen, kunt u alsnog uw keuze kenbaar maken. Wij hebben voor u de twee meest gunstige opties geselecteerd als keuzemogelijkheid:

  • 1. Transitievergoeding met voortzetting pensioenopbouw €14.805,50 
  • 2. Transitievergoeding zonder voortzetting pensioenopbouw €58.911,10 (…) 

U kunt uw keuze aangeven op bijgaande formulier (…)’.

Bij deze brief is een ‘Overzicht inkomen na einde dienstverband op grond van de Aanvullingsregeling (maandelijkse voortzetting AVR, Afkoop AVR en Transitievergoeding’ gevoegd. Rechtsonder op dit formulier staat onder het kopje ‘Transitievergoeding’ ‘pensioenpremie na einde dienstverband (WG + WN bijdr. SPH) 44.105,60’ .

X retourneert op 21 oktober 2016 het getekende Keuzeformulier aan T. Op dit formulier heeft X de optie ‘transitievergoeding met voorzetting pensioenopbouw, bedrag: € 14.805,50’ aangekruist. Op basis hiervan maakt T de totale pensioenpremie van € 44.105,60 over aan het pensioenfonds. Dit betreft zowel het werkgevers- als het werknemersdeel van de pensioenpremie. Deze premie heeft T verrekend met de transitievergoeding van € 58.911,10 bruto. Het resterende bedrag van € 14.805,50 bruto keerde T uit aan X.

Volgens X is dit nooit zijn bedoeling geweest. Hij wil wel pensioenopbouw, maar er niet voor betalen.

Dwaling

De kantonrechter vat de vorderingen van X en T samen in onder meer de volgende vragen:

  • a. Moet het Keuzeformulier worden vernietigd op grond van dwaling?
  • b. Hoe moet de pensioenpremie worden verdeeld? 
  • c. Is het nieuwe pensioenreglement op X van toepassing; (moet de pensioenopbouw van X worden voortgezet tot de AOW-leeftijd?)

 

Volgens de rechter is er wel een overeenkomst tot stand gekomen tussen X en Y met het tekenen van het Keuzeformulier en het zetten van een kruisje op dat formulier door X. De kantonrechter vernietigt de overeenkomst echter omdat er sprake is van dwaling. Volgens X zou hij het Keuzeformulier namelijk niet hebben ondertekend wanneer T hem volledig en juist zou hebben voorgelicht. De kantonrechter is van mening dat vaststaat dat T een grote werkgever is, dat X een werknemer die de Nederlandse taal in beperkte mate machtig is en dat het om ingewikkelde materie gaat. Verder blijkt volgens de rechter nergens uit dat T mr. A (de adviseur van X ten tijde van de onderhandelingen) een kopie heeft gestuurd van de brief met een voorstel en toelichting over het ontslag. Evenmin is gebleken dat T X heeft aangeraden de inhoud van deze brief met mr. A of een andere juridische deskundige te bespreken. De rechter concludeert dat T X onjuist en onvolledig heeft voorgelicht en hem op het verkeerde been heeft gezet door te stellen dat het keuzeformulier de beste twee opties voor X weergeven. Het beroep van X op dwaling slaagt, waarna de kantonrechter de overeenkomst vernietigt.

De vernietiging van de overeenkomst betekent volgens de rechter niet dat X helemaal geen bijdrage hoeft te leveren aan de pensioenpremie. Volgens de rechter moet X 30% van de premie dragen omdat X altijd al een eigen bijdrage van 30% had en hij daartegen nooit bezwaar heeft gemaakt. Tijdens het 32-jarige dienstverband heeft T namelijk, overeenkomstig het pensioenreglement, steeds 30% van de pensioenpremie ingehouden op het salaris van X en afgedragen aan het pensioenfonds. En ook gedurende de arbeidsongeschiktheidsperiode hield T 30% in op de aanvulling op de WIA-uitkering. Daartegen heeft X nooit bezwaar gemaakt, aldus de rechter. Volgens de kantonrechter is onder deze omstandigheden de premieverdeling 30%-70% deel uit gaan maken van de rechtsverhouding tussen partijen.

Ten slotte oordeelt de kantonrechter dat X recht heeft op pensioenopbouw tot zijn AOW-leeftijd. De rechter hierover: “In de voorliggende zaak vormt (de inhoud van) het pensioenreglement door de verwijzing in de cao samen met de bepalingen in de cao de pensioenovereenkomst. De kern van de pensioenovereenkomst is de pensioentoezegging van de werkgever jegens de werknemer. Het einde van de arbeidsovereenkomst en de omstandigheid, dat de cao waarin de verwijzing naar het (nieuwe) pensioenreglement is opgenomen niet (meer) geldt voor [eiser], omdat hij geen werknemer meer is, brengen naar het oordeel van de kantonrechter niet mee dat de rechtsverhouding tussen partijen ten aanzien van het pensioen is uitgewerkt (NJ 2014, 67). Die rechtsverhouding wordt voortgezet in de pensioenovereenkomst, zij het met gewijzigde hoedanigheid van partijen”.

Commentaar

Een kwalijke zaak dat werkgever T haar werknemer op het verkeerde been zette met betrekking tot het mogelijkheden die X had met betrekking tot het voortzetten van de pensioenopbouw. Of X zijn pensioen daadwerkelijk had willen opbouwen, wanneer hij zich ervan bewust was geweest dat hij daarvoor nog steeds een eigen bijdrage van 30% van de premie had moeten betalen (in zijn situatie toch nog altijd ruim € 10.000 per jaar) is de vraag.

De uitspraak toont wel dat het beroep op dwaling door X slaagde doordat de werkgever onvolledige en onjuiste informatie verstrekte. Maar ook doordat zij de adviseur van X niet had betrokken in de informatieverstrekking. Deze slordigheid kost de werkgever ruim € 30.000 aan transitievergoeding. Daarnaast moet de werkgever tot de AOW-datum van X haar werkgeversbijdrage blijven betalen van € 30.000 per jaar.

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 maart 2020

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bron: Rechtbank Noord Nederland, 4 december 2018; publicatiedatum 10 februari 2019