Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Tot hoever reikt de zorgplicht van een financieel adviseur?

5 augustus 2015

Een bank maakte in 2009 voor haar klant een financieel plan. Op basis daarvan sluit de klant twee verzekeringen. Volgens de klant is in dit plan uitgegaan van verkeerde gegevens. De Rechtbank stelt de grenzen van de zorgplicht van de financieel adviseur vast.

De feiten

Tandarts A laat in 2009 een persoonlijk financieel plan (pfp) opstellen door zijn bank (hierna: NV B). Het pfp bevat de inventarisatie van zijn financiële gegevens en wensen, een analyse en een financieel advies. Uit de analyse blijkt dat de partner van A na zijn overlijden een jaarlijks netto besteedbaar inkomen nodig heeft van circa € 38.000. Omdat de reeds getroffen voorzieningen niet voldoende zijn adviseert NV B tot het sluiten van een risico verzekering met een aanvangskapitaal van€ 300.000.
Tandarts A sluit op basis van dit advies twee risicoverzekeringen bij de levensverzekeringstak van zijn bank (hierna: NV V). De verzekeringen bestaan uit:

  • een eenmalige uitkering bij overlijden van A vóór 1-12-2025 van een gelijkblijvend kapitaal van € 100.000 tegen een maandelijkse premie van € 48,83; en
  • een eenmalige uitkering bij overlijden van A vóór 1-12-2025 van een gelijkmatig dalend kapitaal dat in aanvang  € 200.000 bedraagt. De maandelijkse premie voor deze dalende risicoverzekering is  € 63,60 . 

 

In 2013 wordt A ernstig ziek. Na nader onderzoek van het pfp en de risicoverzekeringen komt hij tot de conclusie dat NV B in het pfp is uitgegaan van verkeerde gegevens. En dat de  dalende risicoverzekering een andere uitkering biedt dan hij dacht te hebben gekocht bij NV V. 

Rechtbank Amsterdam

A is van mening dat uit de polis van de dalende risicoverzekering kan worden opgemaakt dat bij overlijden naast het aanvangskapitaal van € 200.000 ook de in de polis opgenomen jaarlijks verlaagde risico kapitalen worden uitgekeerd. 
 Daarnaast stelt hij dat hij verkeerd is geadviseerd. NV B is in het pfp uitgegaan van onjuiste gegevens. Het in het pfp opgenomen netto inkomen is niet toereikend want:

  • uit de jaarrekening blijkt dat het vermogen van zijn BV ontoereikend is voor uitkering van het toegezegde partnerpensioen; en
  • uit de door hem verstrekte informatie blijkt dat het inkomen van de partner fictief is.

Volgens A heeft zijn bank een beroepsfout gemaakt en moet NV B daarom de door hem en zijn vrouw geleden en te lijden schade vergoeden. 

De rechtbank is het op beide punten niet eens met A.

 

Dalende risicoverzekering
Volgens de rechtbank is de tekst van de polis van de dalende risicoverzekering helder en duidelijk. In de tekst wordt duidelijk uitgelegd dat de verzekering een aanvangskapitaal kent van € 200.000 en dat dit kapitaal na elk verstreken jaar daalt. Ook uit het verschil van premies tussen de gelijkblijvende – en de dalende risicoverzekering had A kunnen afleiden dat de laatste verzekering nooit een aanvangskapitaal kon hebben van ongeveer € 1.700.000. Tenslotte kon A geen beroep doen op het pfp .  De rechtbank hierover: “De verzekering is gesloten tussen A en NV V. NV B is geen partij bij de overeenkomst. Wat tussen A en de NV B besproken is, is – omdat dat niet bekend was bij NV V – daarom niet van belang voor de uitleg van de verzekering.”

Ontoereikend advies 
Volgens de rechtbank heeft NV B geen beroepsfout gemaakt. De rechtbank vindt dat NV B uit mocht gaan van de door A en zijn accountant verstrekte gegevens. “De rechtbank is van oordeel dat een assurantietussenpersoon in het algemeen mag afgaan op de juistheid van een mededeling van haar opdrachtgever. Behoudens bijzondere omstandigheden gaat haar zorgplicht dan ook niet zo ver dat de tussenpersoon dient te controleren of die mededeling juist is.”

Wel heeft de adviseur een plicht tot nader onderzoek als de klant tegengestelde informatie verstrekt, aldus de rechtbank. Omdat NV B in het pfp duidelijk had gesteld dat rekening was gehouden met het inkomen van de partner en dat A de uitgangspunten moest controleren, stelt de rechtbank dat NV B aan haar zorgplicht heeft voldaan. 

Met betrekking tot de informatie over het pensioen in eigen beheer is door A niet gesteld dat NV B uit de haar beschikbare gegevens had moeten (of zelfs kunnen) afleiden dat de pensioenvennootschap niet over de middelen beschikte om het pensioen uit te keren. De rechtbank oordeelt dat de zorgplicht van NV B niet zo ver gaat dat zij in het kader van dit advies de jaarrekeningen van de pensioenvennootschap moest op vragen, of op een andere manier de vermogenspositie van de pensioenvennootschap had moeten controleren.

De rechtbank vindt dat NV B haar zorgplicht jegens A niet geschonden heeft en dat zij bij het adviseren van A geen beroepsfout heeft gemaakt. 

Commentaar

Een heldere uitspraak van de rechtbank over de zorgplicht van de financieel adviseur. Toch vallen twee dingen op. 

Kennelijk werd het pensioen van A - inclusief het partnerpensioen - door de BV van A in eigen beheer uitgevoerd. Opvallend is dat de rechtbank vindt dat de adviseur de vermogenspositie van de pensioenvennootschap niet hoefde te controleren. Immers, gezien de benodigde kapitalen bij overlijden en de huidige marktsituatie zullen maar weinig pensioenvennootschappen aan hun verplichting tot uitbetaling van partnerpensioen kunnen voldoen. Uit de uitspraak blijkt overigens niet of de bank in haar financieel advies überhaupt een opmerking heeft gemaakt over de risico’s van het partnerpensioen in eigen beheer. Naar onze mening schiet een financieel adviseur ernstig tekort wanneer hij zijn klant niet attendeert op de grote financiële risico’s daarvan.  

Auteur: Paul Lavrijssen, adviseur Aegon Adfis
Bron: Rechtbank Amsterdam, 29 juli 2015

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 5 augustus 2015.