Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Zakelijk Adfis Nieuws Trouwlustige man wil hoger BPP laatste echtgenoot

Trouwlustige man wil hoger BPP laatste echtgenoot

2 juni 2020

Na het overlijden van een van zijn ex-echtgenoten wil A dat haar bijzonder partnerpensioen niet toekomt aan de daarop volgende ex-echtgenote. Hij wil dat het BPP het partnerpensioen van zijn huidige partner verhoogt.

Bijzonder Partnerpensioen in de ABP-regeling

De heer A trouwt en scheidt tussen december 1972 en september 2003 achtereenvolgens van mevrouw 1, 2 en 3. Met zijn huidige echtgenote (echtgenote 4) is hij sinds mei 2007 getrouwd. A heeft pensioen opgebouwd bij het ABP.

Alle drie ex-echtgenoten kregen bij de scheiding een aanspraak op bijzonder partnerpensioen (BPP). Wanneer ex echtgenote 2 op 20 april 2007 overlijdt, rekent het ABP haar aanspraak op BPP toe aan het BPP van ex-echtgenote 3. A maakte daartegen bezwaar bij het ABP. Het ABP verwierp dit bezwaar in december 2007, waarna A geen rechtsmiddel meer aanwende tegen deze beslissing.

In 2016 wijzigde het ABP haar pensioenreglement. Aan artikel 9.6 van het reglement is een tweede lid toegevoegd op grond waarvan een aanspraak op partnerpensioen (PP) wordt toegevoegd aan het PP van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde wanneer:

  • het BPP is vervallen doordat de BPPgerechtigde afstand heeft gedaan van de aanspraak op BPP of
  • bij overlijden van de BPPgerechtigde.

 

Bij overlijden van de (gewezen) deelnemer of gepensioneerde komt het BPP toe aan de huidige partner.

In de overgangsregeling bij het pensioenreglement is bepaald dat de wijziging alleen van toepassing is wanneer de ex-partner is overleden op of na 1 januari 2016 of een afstandsverklaring op of na 1 januari 2016.

Deze wijziging in het reglement vond plaats nadat po 1 januari 2015 in de Pensioenwet een zesde lid was toegevoegd aan artikel 57.

Terugdraaien BPP en toevoegen aan PP huidige partner

In februari 2016 beklaagt A zich bij het ABP over de informatieverstrekking van het ABP inzake het BPP dat ex-echtgenote 3 krijgt door het overlijden van ex-echtgenote 2. Na nul op het rekest te hebben gekregen bij de Ombudsman Pensioenen wende A zich, tot twee maal toe, nogmaals tot het ABP om de toevoeging van het BPP van ex-echtgenote 2 aan het BPP van ex-echtgenote 3 terug te draaien en dit ‘toe te voegen’ aan het PP van zijn huidige echtgenote. Ook deze keer wijst het ABP dit verzoek af onder verwijzing naar haar eerdere reacties en de brief van de Ombudsman Pensioenen. Als A vervolgens bij de kantonrechter ook zijn zin niet krijgt, gaat hij in beroep bij het hof. Bij het hof voert hij de volgende argumenten aan:

  1. De doorschuifregeling van het BPP na overlijden van echtgenote 2 is eigen beleid van het ABP waarvoor een wettelijke grondslag ontbreekt.
  2. De doorschuifregeling is in strijd met het echtscheidingsconvenant met ex-echtgenote 3. Daarin is bepaald dat zij aanspraak heeft op het nabestaandenpensioen voor zover dat is opgebouwd tot aan de datum van scheiding. Door het BPP van ex-echtgenote 2 toe te delen aan ex-echtgenote 3 krijgt deze laatste een hoger nabestaandenpensioen dan waar zij volgens het convenant recht heeft. Daarmee heeft het ABP inbreuk gemaakt op de afspraken die hij met ex-echtgenote 3 heeft gemaak.
  3. Vanaf 1 januari 2016 is de ‘doorschuifregeling’ vervallen in het reglement van het ABP en wordt op grond van dat nieuwe pensioenreglement het BPP van de vooroverleden ex-partner toebedeeld aan het partnerpensioen van de nieuwe partner.
  4. De doorschuifregeling is naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar.

 

Huidige echtgenote krijgt geen hogere aanspraak op PP

Volgens het hof heeft de kantonrechter terecht geconcludeerd dat het ABP de aanspraak op BPP van ex-echtgenote 2 niet hoeft toe te voegen aan het PP van de huidige partner van A.

Het BPP is een eigen aanspraak van de gewezen partner die wordt verkregen op het tijdstip van echtscheiding, aldus het hof. Het is dus geen aanspraak die aan A toekomt op grond van de Pensioenwet (PW). Ook niet volgens het zesde lid dat op 1 januari 2015 is toegevoegde aan artikel 57 PW. In dat zesde lid staat kortweg dat de aanspraak op BPP vanaf het moment van overlijden van de gewezen partner weer deel uitmaakt van de pensioenaanspraken van de deelnemer of gewezen deelnemer voor zover dit in de betrokken pensioenregeling is bepaald. Dit lid 6 is in de situatie van A niet van toepassing omdat ex-echtgenote 2 is overleden vóór 1 januari 2015 en omdat deze bepaling volgens het overgangsrecht in het reglement van het ABP niet van toepassing is.

De omstandigheid dat A met ex-echtgenote 3 in een convenant afspraken heeft gemaakt over het BPP geeft volgens het hof evenmin grond voor toewijzing van het gevorderde. Het ABP hoeft daar geen rekening mee te houden. Volgens het vierde lid van artikel 57 PW hoeft de pensioenuitvoerder alleen met afwijkende afspraken van partijen rekening te houden wanneer hij zich daarmee bereid verklaart.

Ook het beroep van A op de redelijkheid en billijkheid slaagt niet omdat de aanspraak op PP van de huidige partner van A niet is gewijzigd door het overlijden van ex-echtgenote 2. Weliswaar is de aanspraak van ex-echtgenote 3 groter geworden, maar niet ten koste van de aanspraak van de huidige partner van A, aldus het hof.

A wordt veroordeeld tot het betalen van de proceskosten van ongeveer € 1.800.

Commentaar

De heer A is van het trouwlustige soort die na zijn overlijden zijn laatste echtgenoot kennelijk een beter partnerpensioen toewenst dan zij nog kan opbouwen tijdens hun huwelijk. Hoe lang die opbouwperiode is tot zijn pensioendatum is bereikt, blijkt niet uit de uitspraak. Wij vermoeden dat die periode niet zo lang is. A is immers erg vasthoudend en wil het BPP van ex-echtgenote 2 - dat is opgebouwd gedurende elf jaar huwelijk –  heel graag toevoegen aan het PP van zijn huidige partner. Hij probeerde zijn gelijk te behalen bij maar liefst vier instanties. Dat kostte hem € 1.800 aan advocaatkosten van het ABP en griffiekosten. Daarnaast ook nog de eigen proceskosten, zoals die van de advocaat. Naar onze mening had de advocaat A eerder erop kunnen of misschien wel moeten wijzen dat de slagingskans van zijn zaak wel erg gering was. Of was A zo eigenwijs om een dergelijk advies niet te volgen?

Auteur: Vera Hek, adviseur Aegon Adfis

Bronnen: Gerechtshof Den Bosch, 16 april 2020, ECLI:NL:GHSHE:2020:1271

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 28 mei 2020.