Overslaan en naar de inhoud gaan

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Tweederdemeerderheid-eis bij grensoverschrijdende waardeoverdracht geen ontoelaatbare beperking vrije verkeer

12 december 2018

In het wetsvoorstel over de implementatie van de IORP-II introduceerde minister Koolmees een goedkeuringseis van ten minste een tweederdemeerderheid bij grensoverschrijdende waardeoverdrachten. De Afdeling advisering van de Raad van State concludeert dat deze met de tweede nota van wijziging bij de implementatiewetgeving van de IORP-II richtlijn voorgestelde goedkeuringsprocedure niet in strijd is met het Unierecht.

Tweederdemeerderheid-eis in strijd met EU-recht?

Tijdens de behandeling van het wetsvoorstel inzake de implementatie van de IORP-II richtlijn in de Tweede Kamer diende minister Koolmees een nota van wijziging in. Op grond hiervan is bij grensoverschrijdende waardeoverdrachten goedkeuring vereist door ten minste een tweederdemeerderheid van de (gewezen) deelnemers en gepensioneerden die hebben gereageerd op een daartoe strekkend verzoek. Bij binnenlandse waardeoverdracht geldt een dergelijke goedkeuring niet.
De Eerste Kamer stelde de vraag of deze bepaling een toegestane beperking vormt op de grensoverschrijdende waardeoverdracht volgens de IORP-II richtlijn met inachtneming van het gelijkheidsbeginsel en het verbod op discriminatie naar nationaliteit. Op verzoek van de Eerste Kamer boog de Afdeling advisering van de Raad van State zich over deze kwestie.

Raad van State ziet geen belemmering van het vrije verkeer

De Afdeling advisering van de Raad van State ziet geen aanleiding om te veronderstellen dat de met de tweede nota van wijziging voorgestelde goedkeuringsprocedure voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten in strijd is met artikel 12, derde lid, onder a, van de richtlijn of anderszins is strijd zou komen met het Unierecht.

Artikel 12 van de richtlijn houdt in dat de voor de internationale waardeoverdracht vereiste meerderheid van de betrokken deelnemers en betrokken pensioengerechtigden gedefinieerd wordt overeenkomstig het nationale recht. Volgens de Raad van State leidt het feit dat er niet voor is gekozen om eenzelfde procedure voor binnenlandse collectieve waardeoverdrachten in te voeren als voor grensoverschrijdende waardeoverdrachten weliswaar  tot een ongelijke behandeling. Maar de gevallen verschillen zozeer van elkaar dat de conclusie dat de ingevolge de richtlijn de voorgestelde goedkeuringsprocedure voor grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachtenin strijd zou zijn met het Unierecht niet kan worden getrokken. Het gaat om ongelijke gevallen die om die reden ongelijk worden behandeld.

De Raad van State geeft verder aan dat de keuze voor goedkeuring door een tweederdemeerderheid van de betrokken deelnemers en een tweederdemeerderheid van de pensioengerechtigden, die hebben gereageerd op het verzoek, enerzijds een relatief hoge drempel vormt om tot goedkeuring te komen. Maar anderzijds is niet vereist  dat een meerderheid van alle deelnemers en een meerderheid van alle pensioengerechtigden instemt, maar slechts van diegenen die hebben gereageerd. Dit kan een relatief lage drempel tot gevolg hebben. Daarbij geldt bovendien geen minimale respons; het maakt niet uit hoeveel deelnemers en gepensioneerden hebben gereageerd.

Minister Koolmees in de Eerste Kamer

Naar aanleiding van het aanvullende advies van de Raad van State geeft minister Koolmees in de memorie van antwoord aan de Eerste Kamer aan, de voorwaarde passend te achten gezien het doel van de richtlijn. Voor de volledigheid merkt Koolmees nog wel op dat de voorwaarde uit de richtlijn waaruit volgt dat een meerderheid van de (gewezen) deelnemers en een meerderheid van de pensioengerechtigden een voorgenomen grensoverschrijdende waardeoverdracht moet goedkeuren, onvermijdelijk een procedurele drempel met zich brengt voor een dergelijke overdracht. De regering is echter van mening dat de Nederlandse invulling van de beleidsruimte uit de richtlijn voor wat betreft de vormgeving van het meerderheidsvereiste proportioneel is en dat er geen sprake is van een ontoelaatbare beperking van het vrije verkeer. Een grensoverschrijdende collectieve waardeoverdracht wordt hiermee zeker niet onmogelijk gemaakt.

Commentaar

De tweederdemeerderheid-eis lijkt zijn oorsprong te hebben in de constatering van minister Koolmees in antwoord op Kamervragen dat DNB een overdracht aan een buitenlandse uitvoerder niet kan blokkeren vanwege daarmee gepaard gaande toezichtarbitrage. De criteria waaraan DNB mag toetsten staan limitatief in de IORP-richtlijn. Daar mag DNB niet zelfstandig andere criteria aan toevoegen. Zie ons bericht van 12 september 2018. Teneinde toch wat meer grip te houden vanuit Nederland bij grensoverschrijdende collectieve waardeoverdrachten werd via een nota van wijziging de tweederdemeerderheid-eis ingevoerd.

Vanuit de pensioenwetenschap werden vraagtekens gezet bij de Europese houdbaarheid van deze eis. Het begrip ‘meerderheid’ mag weliswaar overeenkomstig het nationale recht worden gedefinieerd, maar is een tweederdemeerderheid niet een zodanige drempel voor grensoverschrijdende overdrachten die niet geldt voor binnenlandse overdrachten, dat het juist de buitenlandse IORP’s moeilijker maakt grensoverschrijdende pensioenregelingen uit te voeren en daarom als verboden onderscheid op grond van vestigingsplaats moet worden aangemerkt?

De Raad van State geeft aan geen belemmering te zien. En de minister sluit zich daar uiteraard graag bij aan. Of de (Europese) rechter dat ook zo ziet, zal moeten worden afgewacht. Ook bij het invoeren van de conserverende aanslag bezwoer het kabinet de Kamer dat dit internationaal allemaal geen bezwaren opriep. Tot ruim tien jaar later de Hoge Raad anders oordeelde, met halsoverkop reparatiewetgeving tot gevolg. We gaan het zien ….

Auteur: Herman Kappelle, directeur Aegon Adfis

Bron: Brief van de vicepresident van de Raad van State van 28 november 2018 en Memorie van antwoord Eerste Kamer wetsvoorstel implementatie IORP-II richtlijn (34 934).

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 december 2018.