Skip to main content

Welkom username.

Uw vorige bezoek was op 00-00-0000 om 00:00 uur

Search form

Uitkering vorderbaar na uitspraak rechter

14 september 2015

Een pensioenuitkering is belast wanneer hij vorderbaar of inbaar is. Is een pensioen vorderbaar of inbaar in de periode waarin de pensioengerechtigde de rechter vraagt om de overeenkomst te vernietigen?

De kwestie

Als gevolg van een arbeidsconflict eindigt de dienstbetrekking van A op 31 december 2006. In verband daarmee sluit werkgever X op 6 juli 2006 met A een vaststellingsovereenkomst. In de vaststellingsovereenkomst staat dat A gebruik maakt van zijn FPU-recht. Volgens het FPU-reglement kan A van dit recht gebruik maken.

In 2006 vraagt A de rechter om vernietiging van de vaststellingsovereenkomst. Hierdoor  ontvangt hij, lopende de procedure, geen prepensioen/FPU-uitkeringen. Nadat de civiele rechter in 2011 de vaststellingsovereenkomst bij uitspraak handhaaft, betaalt het ABP in 2011 een bedrag van € 199.000 uit. Van dat bedrag heeft € 161.383 betrekking op de jaren 2007 tot en met 2010.
In zijn aangifte inkomstenbelasting 2011 geeft A € 40.390 aan. De inspecteur belast, in afwijking van de aangifte van A, de hele FPU-uitkering van €199.000.

Rechtbank Zeeland-West-Brabant

In geschil is of het deel van de uitkering dat betrekking heeft op de periode van 1 januari 2007 tot en met 31 december 2010 in 2011 in de heffing van inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen moet worden betrokken.
De Wet IB 2001 bepaalt dat loon, aangewezen periodieke uitkeringen en verstrekkingen, termijnen van lijfrenten en andere periodieke uitkeringen en verstrekkingen uit een inkomensvoorziening worden geacht te zijn genoten op het tijdstip waarop zij zijn ontvangen, verrekend, ter beschikking gesteld, rentedragend geworden of vorderbaar en inbaar zijn geworden.
A stelde dat het prepensioen/FPU in de jaren 2007 tot en met 2010 vorderbaar en inbaar was en dus in die jaren belastbaar. De rechtbank is het daarmee niet eens. De vorderbaarheid en inbaarheid is volgens de rechtbank immers afhankelijk van voorwaarden. A had het zelf in de hand deze voorwaarde te vervullen, door de procedure tegen de werkgever stop te zetten. Dat heeft hij niet gedaan waardoor van feitelijke vorderbaarheid en inbaarheid geen sprake is geweest tot na de uitspraak van de rechter in die procedure in 2011.

Commentaar

Zo lang de vordering van A om vernietiging van de vaststellingsovereenkomst nog openstond, werd het pensioen niet uitgekeerd en waren de pensioenuitkeringen niet vorderbaar en inbaar. Een logische, en naar onze mening, terechte uitspraak.
A moet hierdoor ruim € 30.000 meer belasting betalen dan wanneer hij de uitkering periodiek had ontvangen. Dat bedrag kan hij fors beperken door vóór 1 juli 2018 (= 36 maanden na het onherroepelijk worden van de aanslag) te vragen om middeling van zijn inkomen over de periode 2009-2011.
Het is interessant om te constateren dat de belastingdienst in deze casus anders denkt over vorderbaar en inbaarheid van nog niet uitgekeerde pensioenen dan ongeveer 10 jaar geleden. Zie Hof Leeuwarden april 2015. Toen ging het over pensioenen die een pensioenuitvoerder niet kon uitkeren omdat pensioengerechtigden onvindbaar waren en de uitkeringen niet opeisten. Volgens de belastingdienst moest de pensioenuitvoerder loonheffing inhouden en afdragen omdat die uitkeringen – hoewel niet uitbetaald  - vorderbaar zouden zijn. Het Hof stelde de belastingdienst toen in het ongelijk.
Prettig om te kunnen constateren dat de uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant in lijn is met de uitspraak van het Hof Leeuwarden van 10 jaar geleden.

Auteur: Vera Hek, Adviseur Aegon Adfis
Bron: Rechtbank Zeeland-West-Brabant, 1-7-2015

 

Dit bericht is opgesteld naar de stand van zaken op 11 september 2015.